Plantenwerkgroep: excursie Cortenoever 9-6-2012

Zuidelijk van Zutphen ligt op de linkeroever van de IJssel de buurtschap Cortenoever. Dit is een bijzonder uiterwaardengebied dat al jarenlang in bezit is van Staatsbosbeheer. Het gebied is in botanisch opzicht erg rijk, met mooi ontwikkeld stroomdalgrasland.  

Stroomdalgrasland is een soortenrijke, open tot tamelijk gesloten, grazige begroeiing op een droge, relatief voedselarme, zandige tot zavelige en meestal kalkhoudende standplaats langs de grote en kleinere rivieren. Zij komt voor op stroomruggen, oeverwallen en rivierduinen. De flora die we hier kunnen vinden bestaat onder andere uit Cypreswolfsmelk, Veldsalie, Geoorde zuring, Kruisdistel, Knikkende distel, Ruige weegbree, soorten die we deze dag ook hebben gezien. 

Daarnaast was het niet moeilijk zoeken naar soorten die in het glanshaverhooiland voorkomen: Scherpe boterbloem, Gewone ereprijs, Gele morgenster (waarvan enkele al hun mooie pluizenbollen lieten zien), Akkerwinde, Rood zwenkgras, Ruw beemdgras, Goudhaver, Zachte haver, Margriet en Smalle wikke. 

We gaan richting Brummen waar eerst, inmiddels traditioneel, gestart wordt met een kop koffie met in dit geval heerlijke honingtaart bij de plaatselijke bakker aan het pleintje bij de muziektent. De lucht is grauw en het waait stevig. Optimisten als we zijn, gaan we ervan uit dat het droog zal blijven.

 

Daarna is het even zoeken, maar in dit geval wint de techniek het van het geheugen en ons digitale hulpje wijst ons de juiste weg. Vanaf de Cortenoeverse weg op de Hanzeroute wordt de auto de berm in gemanoeuvreerd om een oude trekker de ruimte te geven te kunnen passeren. Het blijkt echter de eerste van een vrolijke stoet van oude, mooi opgeknapte tractors en andere landbouwvehikels te zijn. We kijken onze ogen uit en zien een nummer 108. Zouden het er zoveel zijn?  

Eindelijk kunnen we weer verder en slaan De weg naar het Ganzen Ei in. Ja, werkelijk, dat is de naam van de weg die ons richting de boerderij Heyendal voert. Hier stappen we uit en beginnen aan onze zoektocht. Een bord vertelt ons dat we op moeten passen voor een stier maar Niels besluit stoer ons daar niets van aan te trekken “zal er wel staan om bezoekers af te schrikken”. Ja, ja, hebben we dat al niet eerder bij de hand gehad?  

Voorlopig blijven we (toch maar) de wegberm volgen en vinden naast de Cypreswolfsmelk en Geel walstro een Bremraap, maar welke? Er volgt een gedegen determinatie waarbij uiteindelijk blijkt dat het om een Walstrobremraap moet gaan: Orobanche caryophyllacea.  

Bremraap (Orobanche) is bijzondere plant. Het is een geslacht van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd soorten (maar in Nederland minder dan 10) eenjarige of overblijvende, parasitaire, kruidachtige planten uit de bremraapfamilie (Orobanchaceae). De botanische naam Orobanche is afgeleid van het Oudgriekse ‘orobos’ (= erwt) en ‘agchein’ (= wurgen). De Nederlandse naam is afkomstig van de Grote bremraap die op brem parasiteert.  

Verderop in de berm vinden we Knoopkruid, Hopklaver, Jacobskruiskruid, Eenstijlige meidoorn, Gewone vlier, (veel!) Kleine ratelaar, Gewone rolklaver (loopt rood uit – heeft 5 blaadjes waarvan er drie vergroeid zijn), Zachte haver, Zandzegge, Kruisbladwalstro en Witte dovenetel en Veldsalie!, alsof een schilder zijn kwast met blauwe verf heeft uitgeslagen. Een groepje koeien komt nieuwsgierig poolshoogte nemen. Ertussen loopt een witte kip!

We komen bij een kleine moestuin, grenzend aan een korenveld. Op de rand daarvan staat het zeldzame Groot spiegelklokje! Maar er staat nog meer: Gewone klaproos, De heel zeldzame Akkerogentroost, Zwaluwtong, Echte kamille, Besanjelier in de heg en Aardaker (Lathyrus tuberosus.)

Deze overblijvende, kruidachtige klimplant met platte stengels wordt ongeveer 30-100 cm lang. De circa 2 cm lange bloemen zijn rozerood tot violet van kleur en groeien in trossen van drie tot acht stuks. De plant bloeit in juni en juli en vormt ondergrondse knolletjes. Hij heeft meerdere alternatieve namen, zoals: aardeikel, aardmuis, grondboon of zeugboon en is in Nederland officieel beschermd.

Het land ernaast lijkt van een Monet schilderij te zijn gegleden: het ziet rood van de klaprozen. Een paal met een gele kop nodigt ons uit om over de omheining van een uitbundig bloeiend grasland met zuring te klimmen. Hier loopt een pad dat al door eerdere bezoekers is gevormd. Links naast het pad staat een haag van Eenstijlige meidoorn, Gewone Vlier en Hondsroos. Een mooie plek om even uit te rusten en onze lunch te gebruiken. Toos vindt een nachtvlinder op haar tas. We kijken tussen de grassen en Kleine ratelaars uit over het gebied met hoogteverschillen, ontstaan door rivierduinen, afgewisseld met hagen die in vroeger tijden aangeplant zijn om het vee “te keren”. Twee Ooievaars zweven hoog boven ons langs en in de verte horen we Wulpen. Wat wil je nog meer? Nou: nog meer bijzondere planten vinden, dus we gaan weer op weg en komen bij een kleine waterplas.

Direct valt het Watertorkruid op, dat als kleine boompjes in het water staat. Ook staan hier Lidsteng, Moeras-vergeet-mij-nietje, Lidrus, Gewone waterbies, Moeraskers en Akkerkers, Gele waterkers, Wolfspoot, Veldlathyrus, Grote waterweegbree, Waterranonkel, Moeraswalstro, Zwanebloem.

We horen een vreemd geluid: de kwartelkoning! Niels kan ons garanderen dat we hem niet te zien zullen krijgen, maar natuurlijk blijf je hopen …

Verderop valt een witgele schermbloemige op, een kervelsoort, maar welke? Weer volgt een gedegen determinatie waarbij de loep uit de tas tevoorschijn wordt gehaald. Is het Karwij, of Karwijvarkenskervel. Niels houdt het voorlopig op Karwijvarkenskervel. We vervolgen onze weg langs het geel bepaalde pad terug richting de auto. Onderweg komen we nog tegen: Carex spicata (Gewone bermzegge), Akkerhoornbloem, Kleine ruit: een heel bijzondere plant van zo’n1 meterhoog met kleine gele bloempjes met een lila hartje. Jammer genoeg waait het te hard om hem goed te kunnen fotograferen. Nog een korenveld. Oude tijden herleven: aan de rand staan korenbloemen en klaprozen! Wat hogerop: Kattendoorn en het Rapunzelklokje (Campanula rapunculus!) Een fazant vliegt op en een haas vergist zich, komt te dichtbij, schrikt en maakt snel rechtsomkeert.

Het is mooi geweest! We hebben veel gezien. Vooral het mooie blauw van de Veldsalie zal ik niet snel vergeten. We laten De weg naar het Ganzen Ei achter ons. Broedsel hiervan zijn we niet tegengekomen, … en ook geen stier.

Tekst en foto’s: Heleen Strikkers met dank aan Niels Jeurink, Toos Lodder en Ellen van Knippenbelt

Nabericht van Niels:

Ons geslaagde uitje naar Cortenoever heeft in elk geval een raadsel opgeleverd. Het liet me niet los, hoewel je dat ook weer niet te zwaar moet interpreteren. Maar ik heb wel nagekeken wat nu de precieze verschillen zijn tussen de beide soorten. Die zijn er wel, maar ook weer niet heel opvallend. Kijk maar eens op wilde-planten.nl en botany.cz.

– bloemkleur: karwij wit, karwijvarkenskervel geelwit

– stengel: bij karwij hol, gestreept, bij karwijvarkenskervel gevuld met merg, gegroefd of op z’n minst sterk gestreept

– vrucht (daarvoor waren we helaas net te vroeg): karwijvarkenskervel met brede ribben, niet aromatisch (?), karwij met 5 ribben, bij kneuzen aromatisch

Beiden hebben een ‘karwijblad’, met bladslippen die min of meer haaks op de bladas staan (niet in hetzelfde vlak). Karwij heeft alleen smallere bladslippen dan karwijvarkenskervel. Beiden lijken (soms?) ook teruggekromde kroonbladen te hebben. Dit zou dus geen exclusief kenmerk zijn van Karwij.

Ik denk niet dat we 2 verschillende soorten hebben gezien. Ik ga (toch) voor karwijvarkenskervel. Karwij blijft dus nog even op het verlanglijstje staan. Ik blijf doorzoeken!

 

Plantenwerkgroep: excursie Ramspol 09-05-2012

Ik kijk terug op een geslaagde excursie bij Ramspol. Mooi om op plekken te komen die je eigenlijk wel kent maar waar je nooit was, waar je nu eigenlijk alleen aan voorbij rijdt (over de N50). De strekdam bij Ramspol is daar een goed voorbeeld van. We liepen tot ongeveer halverwege de een kilometer lange strekdam, daarna vanwege de na negenen invallende duisternis weer terug. Met de kris kras liggende basaltblokken is het lopen er niet echt eenvoudig, al heeft iedereen geloof ik de enkels heel gehouden. We hoorden een Sprinkhaanzanger in het rietland zuidelijk van de Ramsgeul en zagen er twee lepelaars overvliegen. Verder op diverse plaatsen rietzangers (of waren het nu toch bosrietzangers?) en kleine karekieten. De Grote karekiet hoorden we niet, daarvoor is het misschien te rumoerig met de N50 zo dicht bij.

Wat de planten betreft: de streeplijst telt op tot 49 soorten. Dat lijkt niet veel voor wie vaker mee gaat, maar bedenk dat het aantal bezochte habitats klein was. Bovendien zitten er wel wat bijzonderheden tussen. Zoals Bittere veldkers, een ‘zusje’ van de Pinksterbloem maar daarvan te onderscheiden door de bredere bladen en de paarsige helmknoppen (de knoppen van de meeldraden dus; die zijn bij Pinksterbloem geel). De plant is in het Kampense heel zeldzaam en elders in Nederland ook niet echt algemeen in elzenbroekbossen en in het zoetwatergetijdengebied (Oude Maas e.d.) in vloedbossen. Met Bittere veldkers vonden we her en der Dotterbloem en heel veel Groot springzaad, dat nu nog klein is maar ‘straks’ mooie gele bloemen krijgt. Ook Gevleugeld helmkruid (ik zei geloof ik Geoord helmkruid maar het moet dus gevleugeld zijn) is aardig. De vierkante stengel van deze soort is op de hoekpunten voorzien van een zeker2 mmbrede ‘lijst’ of vleugel, die je kunt omklappen. Daarin verschilt de plant van bijvoorbeeld Knopig helmkruid, een donkerder groene soort van vooral de zandgronden. Het Barbarakruid dat we zagen was Stijf barbarakruid en dus geen Gewoon barbarakruid. Stijf barbarakruid is te onderscheiden door de veel kleinere bloempjes en aan de kelkbladen, die een paar stijve haren hebben die je met een loupe makkelijk kunt zien. Gewoon barbarakruid heeft dat niet. En dan zagen we nog Rivierkruiskruid, een in Nederland bijzondere maar in onze regio niet zeldzame soort en Moeraskruiskruid, die zo vroeg in het jaar nog klein is maar aan de donkergroene kleur en de wat viltige beharing is te herkennen.

Ook opvallend zijn de talrijke korstmossen op de basaltstenen. Sommige heel fraai met voortplantingsorganen en al (Lecanora muralis bv., dat blijkt ‘muurschotelmos’ te heten, zie de bijgevoegde foto). Er schijnt zelfs een korstmossoort te zijn die in Nederland alleen op deze strekdam is gevonden.

Jammer was dat we de Peperkers, bekend van de westelijke en nu deels

 

vergraven strekdam, niet hebben gevonden. De soort is door de aannemer die aan de brug werkt naar de zijde die wij bezochten verhuisd, maar ik kreeg al te horen dat maar 1 plant van de 30 de verhuizing had overleefd. Ik zal eens navragen hoe dat zit en waar de planten nu precies zijn neergezet.

Hopelijk komt als de grond aan de westzijde weer tot rust komt en de brug in gebruik is genomen de Peperkers ook daar weer terug, al is de graverij er nogal grondig geweest. Misschien eens kijken tijdens de Open dag van de Bouw binnenkort, als de nieuwe brug voor bezoekers wordt opengesteld.

 

Verslag: Niels Jeurink

Foto’s Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Plantenwerkgroep: excursie Scherenwelle 22 april 2012

Bij de ingang naar Natuurgebied Scherenwelle staat een gezelschap van maar liefst 16 personen te wachten.  Eerst een algemeen praatje door Niels over het gebied:

Het gebied valt onder de hoede van Staatsbosbeheer. In het verleden werden delen verpacht zonder voorwaarden, met alle gevolgen van dien. Nu is dit niet meer het geval en kan men alles beter onder controle houden. Het gebied blijft echter wel in beweging:  zo is de strook langs de IJssel op dit moment een proeflocatie van Rijkswaterstaat. In het kader van het Stroomlijnplan, wordt de steenbestorting langs de oevers weggehaald om zo een natuurlijker loop van de rivier te creëren . Ook is er het plan om alle begroeiing van de oevers te verwijderen om afvoer van het rivierwater zo min mogelijk te belemmeren. De dorpsvereniging van de stad Wilsum wil het gebied graag meer open maken voor het publiek, meer ommetjes en zicht op de IJssel.

Er lopen twee oude rivierarmen, zogenaamde hank of strang door het gebied. De IJssel heeft zich in de loop der jaren aardig verlegd. Hierdoor zijn er ook hoogteverschillen ontstaan (rivierduintjes) en daardoor is er verschillende flora te vinden. Er ontstond o.a. zavel , zand met kleine kleideeltjes die het water goed vasthouden en  ….. een ideale grondsoort is voor niet alleen de bloembollenteelt, maar ook voor de fraaie Kievitsbloem. En deze Kievitsbloem is het doel van de excursie.

We lopen het pad af richting gemaaltje. Aan de linkerkant de prachtige oude rivierarm en aan de rechterkant een dubbele rij wilgen en een fraaie pol dotterbloemen. We passeren het gemaaltje en enkele “gewone” wilde planten, zoals Speenkruid, Hondsdraf, Paarse dovenetel, Scherpe boterbloem, Smeerwortel, Gele lis en de Pinksterbloem, die de eigenaardige eigenschap heeft met Pasen te bloeien en helaas zien we op dit moment geen Oranjetipjes.

Dan ontwaren we tussen het hoge gras de wilde paarse Kievitsbloemen (Fritillaria meleagris), met hier en daar een wit exemplaar. Niels heeft toestemming gekregen het gebied te  betreden, dit doen we met uiterste voorzichtigheid. Er worden natuurlijk foto’s gemaakt. Mocht de kievitsbloem uitsterven, dan hebben we in ieder geval de foto’s nog. Het is werkelijk een bijzonder mooie en erg kwetsbare plant.

De Kievitsbloem is zeer gevoelig voor verandering in het grondwaterpeil. Te nat, dan kan ze niet kiemen, te droog, dan verliest ze het van de grote vossenstaart. De plant doet er 8 jaar over om in bloei te komen. Het is daarom van groot belang dat er een gezond evenwicht is tussen oude en nieuwe exemplaren.

Binnen Noordwest Europa groeit de grootste populatie Kievitsbloemen in de regio Kampen/Hasselt /Zwolle (langs Vecht en Zwarte Water). Best iets om trots op te zijn en heel zorgvuldig mee om te gaan. Een beslissing om bijvoorbeeld het zomerbed van de rivier te verdiepen zal gevolgen hebben voor het grondwaterpeil en dus voor de gevoelige Kievitsbloem.

Ook het Veenreukgras, met een prachtige bronskleurige glans, groeit hier en dit is de enige populatie langs de IJssel.

Niels vertelt dat er in het gebied momenteel 7 reeën lopen. Volgens Herman zijn het er 12. Waaruit Niels concludeert: “Tja, je hebt de natuur niet in de hand”. En meer dingen heb je niet in de hand. Zo laat een meneer zijn hond loslopen door het verboden gebied. Een van de deelnemers bezit een zeer dwingende fluittoon, waarop de wandelaar gelukkig direct op zijn schreden terugkeert.

Er verblijven in dit gebied meerdere bijzondere vogels, o.a. de Blauwborst, de Sprinkhaanzanger (ook bekend als sprinkhaanrietzanger), de Zwarte stern, het IJsvogeltje, Bruine kiekendief en in juni broedt er de Kwartelkoning, die zich zelden laat zien, maar misschien hebben we geluk en horen we zijn typisch raspende geluid (als een lepel over een ouderwets wasbord.) Helaas laat deze koning zich niet horen. Wel de Rietgors en de Fitis met zijn deuntje : “het is nu nog mooi weer, maar straks niet meer” En hij blijkt helemaal gelijk te krijgen.

We wandelen verder, evenwijdig aan de IJssel, richting Wilsum. Niels wijst ons de plek, waar de mond van de bypass is gepland. Welke gek …….!

In de uiterwaarden vinden we een stapel afval. Boze reacties volgen: “wie is er nu zo gek om hier zijn afval te dumpen ?” Bij een nadere inspectie van het afval moeten we tot de conclusie komen dat er een “gek” is geweest, die al het aangespoelde afval hier heeft verzameld.  Chapeau !

Aan onze rechterhand vinden we zowel vrouwelijke als mannelijke wilgen (Bittere Wilg). De mannen zijn mooier, eerlijk is eerlijk. De wilgen zijn 2-huizig, dus niet gezellig met zijn tweetjes aan één boom. Vandaar de namen Bittere Wilg, Grauwe Wilg, Treurwilg?

We lopen links het weiland in (stroomdalgrasland). Op een zandrugje groeit o.a. de Kleine pimpernel, ook wel bloedkruid genoemd (Sanguisorba minor/ sanguis=bloed/ sorbis= absorberen). In de Middeleeuwen dronken soldaten voor de strijd een aftreksel van deze plant in de hoop dat wonden minder sterk zouden bloeden. De kleine pimpernel komt op de Nederlandse Rode Lijst voor als vrij zeldzaam.

Rivierkruiskruid kruist ons pad, evenals Moerasspirea, Braam, Poelruit en bij het strandje de Kruisdistel (stroomdalsoort).

Het begint helaas te regenen. We lopen terug richting Wilsum en wanneer we staan te schuilen onder een brede dakgoot, worden we uitgenodigd om een kop koffie te komen drinken. Wat een aangename verrassing. Het echtpaar, waarvan ik niet weet of ze het op prijs zullen stellen dat ik hun naam harder roep, trakteert ons op een bak echte koffie in een heerlijke warme omgeving. Met moeite trekken we ons dan ook los van dit aangenaam verpozen en lopen nog een laatste stukje over de dijk terug naar het beginpunt van onze wandeling.

We wensen elkaar een goede voortzetting van deze prettige zondag; met dank aan Niels voor alle interessante informatie en hopen elkaar bij een volgende excursie weer tegen het lijf te lopen.

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Herstel van ‘de Jan Nap’ dankzij Verzinkerij Kampen

Na de succesvolle opening van ‘De Jan Nap’ op 2 oktober 2010 bleken de metalen letters op de toren na één seizoen al te gaan roesten. Na overleg binnen de vogelwerkgroep is de Verzinkerij  Kampen benaderd met de vraag of er een mogelijkheid was om de letters van ‘De Jan Nap’ te behandelen zodat ze voor langere tijd roestvrij blijven.

letters hersteld

Directeur Marten Willem Dunnebier van Verzinkerij Kampen B.V. – Poedercoating Hoogeveen B.V. was gelukkig zeer behulpzaam om naar een oplossing te zoeken. Afgelopen winter zijn de letters van de toren verwijderd en door de Verzinkerij gezandstraald en voorzien van twee lagen poedercoating. Door te kiezen voor een lichtere kleur groen dan de oorspronkelijke kleur is de naamgeving opvallender geworden en vanaf de Rechterveldweg nu ook duidelijk zichtbaar. Het resultaat is een duidelijke verbetering zoals hieronder op de foto’s is te zien.

We zijn de heer Dunnebier zeer dankbaar voor zijn aanbod om kosteloos de letters van ‘de Jan Nap’ te verduurzamen.

Nico Goosen

 

 

Nieuw: koppeling naar www.beleefdelente.nl

Er is een koppeling toegevoegd naar de site van Vogelbescherming Nederland. Via de website www.beleefdelente.nl kan een kijkje worden genomen in de nesten van de ooievaar, ijsvogel, oehoe, koolmees, steenuil, boerenzwaluw, gierzwaluw, slechtvalk, lepelaar, merel en de grauwe kiekendief.

(zie rechter kolom)

Windmolens in de IJsseldelta?

Windmolens. Duurzame energie. Daar kan toch niemand tegen zijn? En inderdaad, ook onze vereniging is voorstander van het gebruik van meer, veel meer duurzaam opgewekte energie. Alleen niet tegen elke prijs. In ‘onze’ IJsseldelta kunnen windmolens veel schade aanrichten. Aan vogels, die tijdens vliegbewegingen de wieken kunnen raken. Aan vleermuizen, die niet alleen geraakt kunnen worden maar ook door de zuiging door de wieken kunnen worden ‘geraakt’. Aan het zo bijzondere landschap, dat onder meer vanwege zijn ‘wijdsheid’ is aangewezen als Nationaal Landschap IJsseldelta. In onze ogen niet voor niets is de IJsseldelta op de ‘Nationale Windmolen Risicokaart’ van Vogelbescherming Nederland voor een aantal groepen vogels als risicogebied aangeduid vanwege de grote waarde van het gebied voor vogels. De milieufederaties stelden al een aantal jaren geleden een alternatief plan voor. Uit dat onderzoek naar geschikte locaties bleek dat windmolens in Overijssel goed mogelijk zijn, en wel op grootschalige locaties bij Bruchterveld en Dalfserveld.
 
Omdat de landschappelijk zo waardevolle IJsseldelta ook een zeer belangrijk gebied is voor zowel vogels als vleermuizen maken we bezwaar tegen plaatsing van windmolens. Zoals langs de N50, een plan dat voorlopig van de baan is. Of in de Zuiderzeehaven en op het Haatland, waar een plan voor in totaal vier windmolens in procedure is. Steeds met dezelfde argumenten: binnen enkele kilometers afstand broeden de Zeearend en de Slechtvalk. De windmolens zouden in hun leefgebied komen te staan.

Zeearenden broeden in het Roggebotzand (foto Cor Fikkert)

 We hebben eerst bezwaar gemaakt tegen het vaststellen van het bestemmingsplan door de Gemeenteraad. Van zowel de Zuiderzeehaven als van Bedrijventerrein Haatland. Beide plannen maken twee windmolens mogelijk. De gemeente heeft onze bezwaren echter ongegrond verklaard, onze bezwaren afgewezen dus. Dat gebeurt helaas vaker als het om natuur en landschap gaat. We zijn daartegen echter in beroep gegaan, bij de Raad van State, dat is de hoogste bestuursrechter in ons land, in Den Haag. Ons beroep tegen de Zuiderzeehaven werd ook daar helaas ongegrond verklaard, wat betekent dat het bestemmingsplan nu ‘onherroepelijk’ is, definitief zeg maar. Voor het bestemmingsplan Haatland zijn we ook naar de Raad van State geweest. Helaas is ook daar de uitslag voor onze vereniging negatief: ons beroep is ongegrond verklaard (afgewezen). Min of meer met dezelfde argumenten als eerder bij de Zuiderzeehaven. Jammer, maar nog geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten. We beraden ons nu nog op een vervolg. Zo moet voor de plaatsing van de windmolens eerst nog een vergunning worden verstrekt, namelijk een vergunning in de zin van de Natuurbeschermingswet, voor het mogen aantasten van de waarden van Natura 2000-gebieden.

Zeearend na botsing met windmolen bij Dronten (foto Frank de Roder)

Downloaden Haatlandhaven:

Beroepschrift bestemmingsplan Haatlandhaven 17 juli 2011

Aanvulling beroepschrift bestemmingsplan Haatlandhaven 19 november 2011

Downloaden Zuiderzeehaven:

Zienswijze windmolens Zuiderzeehaven 5 oktober 2010

Beroepschrift bestemmingsplan Zuiderzeehaven 11 april 2011

Uitspraak RvS 5 oktober 2011 Windmolens Zuiderzeehaven Kampen

 

Zeearenden in de IJsselmonding 2011

 Voorwoord

Ook in 2011 stelde het al sinds 2009 aanwezige koppel zeearenden ons weer voor raadsels. De verwachting was dat ze het nest op het vogeleiland in het Zwartemeer zouden gaan uitbouwen en daar een tweede broedpoging zouden doen. In januari 2011 wezen de waarnemingen daarop. Maar in februari 2011 waren ze nauwelijks meer op het eiland aanwezig.

Roggebotzand

Wel werden ze nu vaak gezien bij het Roggebotzand (op een afstand van ca. 15 km westelijk) ) en al snel werd duidelijk dat daar in een oud populierenbos een nest werd gebouwd. Op 3 maart sloot Staatsbosbeheer het perceel bos en de paden eromheen af.

De plek was namelijk tot dan toe vrij toegankelijk en hoewel het nest in een hoge populier zit zijn zeearenden toch erg gevoelig voor verstoring zeker in de nestbouwfase.

Slechts een poging

Toch was deze plotselinge late verandering van nestplaats een teken dat de vogels nog onervaren zijn en niet een vast broedterritorium hebben gekozen binnen hun uitgestrekte jachtgebied van zeker 34 km2.

Want net zoals op het Vogeleiland werd ook in 2011 in het Roggebotzand geen ei geproduceerd noch gebroed op het gebouwde nest. Waarom is niet duidelijk, zijn de vogels nog niet volwassen genoeg of  is het prooiaanbod in het voorjaar niet voldoende ?

De vogels worden ook in de zomer en herfst nog bij het nest gezien.

Zeearend vliegend richting bos

 

 

 

 

 

 

Het paar: links ; vrouw, rechts;  man

Door het aflezen van de ringen door Cor Fikkert wisten we dat het paar samengesteld is uit een vogel die op het nest geringd is in 2006 in Noord Duitsland en een andere vogel geboren in het jaar 2007. Het vrouwtje is dan dus 4 jaar oud en dat is nog steeds een subadulte vogel aangezien zeearende pas op hun 5 jaar volwassen zijn.

Wisseling van de wacht

Recente berichten geven aan dat er een wisseling van de wacht is opgetreden. Via de ringaflezing van Cor Fikkert lijkt de man nu steeds op te trekken met een 4-jarig vrouwtje afkomstig uit de Oostvaardersplassen.(2007)

Inventarisaties en waarnemingen winter 2010-2011

De maandelijkse inventarisaties op de eerste zaterdag in de wintermaanden van 2010-2011 zijn onder wisselende omstandigheden uitgevoerd. In december was het volop winter met een ijslaag op de randmeren. Begin januari was de vorstperiode voorbij maar lag er nog veel ijs. In februari en maart was het zacht weer. Tijdens de inventarisaties werden veelal 1 of 2 vogels gezien in het oostelijke Ketelmeer vooral vanaf  de vogelkijktoren op het Rechterveld. In maart was een vogel tegen zonsondergang vliegend naar het nest in Roggebotzand te zien.

Naast de  inventarisaties werden ook waarnemingen via internet doorgegeven door vele vogelaars zodat we een goed beeld kregen. Samen met het vaste koppel waren er regelmatig nog 1 of 2 juveniele subadulte vogels aanwezig.  Op 24 januari zagen Anton Wielink en Bert Schuldink maar liefst 4 vogels tegelijk in het Vossemeer noord oost. Duidelijk is de concentratie van waarnemingen rondom het Vossemeer en oostelijk Ketelmeer. In de zomer was een van de vogels van het paar ook vaak vergezeld van een andere 3e of 4e jaars vogel.

 

 

 

 

 

Zeearenden in Nederland in 2011

Het opvallende van het toenemende aantal waarnemingen van zeearenden in de IJsseldelta is dat deze niet op zichzelf lijken te staan. In het voorjaar en de zomer van 2011 bleken er 4 paren zeearenden actief te zijn in Nederland.

Naast het bekende paar in de Oostvaardersplassen en het paar in de IJsselmonding waren er ook nog paren in het Lauwersmeer en in de Biesbosch. Het ervaren paar in de Oostvaardersplassen bracht weer twee  jongen groot en het paar in het Lauwersmeer één jong.

De verwachtingen:

Het inmiddels volwassen paar is in de IJsselmonding gebleven. Het aantal waarneming stijgt nog steeds. Er komen meer juveniele en subadulte vogels bij die in Nederland en Noord Duitsland van het nest gevlogen zijn. Het kan bijna niet anders of er komt een broedgeval van de zeearend in deze omgeving.

Het is maar te hopen dat de vogels een veilige en goede plek daarvoor kiezen want er zijn zeker bedreigingen aanwezig  in de vorm van menselijke verstoring. Ook de plannen om hoge wind turbines bij de Zuiderzeehaven te plaatsen zijn verontrustend. Hemelsbreed op 3,6  km van het huidige nest. Bekend is dat zeearenden in botsing kunnen  komen met de wieken en dat dan niet overleven.

Het grootbrengen van een jonge zeearend zal een teken van een gezond en schoon leefmilieu zijn, waar ook voldoende rustige plekken aanwezig zijn.

 De vogelwerkgroep hoopt de verdere ontwikkelingen op de voet te kunnen volgen door middel van maandelijkse inventarisaties en door andere waarnemingen.

 Henk de Vos

Met dank aan Cor Fikkert voor de toestemming voor het gebruik van de foto’s.

Vogelexcursie Friesland 12-11-2011 Op zoek naar de kleine rietgans

Zaterdagmorgen 12 nov. 2011 vertrokken 7 Kampenaren en een Zwollenaar om half 8 uit Kampen. De reis ging eerst naar het centrum van Workum om broer Bertus van Wim Baer op te pikken, die ook graag met ons mee wilde. Onderweg bleek de Zwollenaar in de zestiger jaren evenals ik lid van de Ned. Jeugdbond voor Natuurstudie te zijn geweest.

Al pratende bleken Sytse Tjallingii en ik een flink aantal gezamenlijke bekenden te hebben uit die tijd. Omdat hij onderweg prachtige foto’s maakte en bereid was ze ter beschikking van dit verslag te stellen, kan men zien wat wij onderweg zoal zagen.

Eerst gingen we naar de zuidkant van de Workumerwaard ter hoogte van camping It Soal. Ondertussen was het mooi licht geworden en hadden we de zon in de rug, waardoor we de vele vogels, die op de keileemkliffen in het water stonden, goed konden zien. De ganzen overnachten op het water, omdat ze dat veiliger vinden. Bij zonsopkomst vertrekken ze in groepen naar de fourageergebieden. We zagen er grauwe, kol- en heel veel brandganzen. Op het water lagen ook tientallen kleine zwanen en veel eendensoorten, zoals pijlstaarten, slobeenden, wintertalingen, smienten, brilduikers en bergeenden. Tussen de kieviten op de platen trippelden een groepje bonte strandlopertjes. En her en der stonden of vlogen kok-, storm-, zilver- en grote mantelmeeuwen. Vlakbij in een bosje streek een koperwiek neer. Gerda Fijnebuik was er verrukt van. Heel goed was de koperkleur voor en onder de vleugel te zien. Even verderop zagen we kramsvogels met wit onder de vleugels en met hun tjak-tjak-roep. Op een paaltje in de Workumerwaard ontwaardeHenk de Voseen jonge slechtvalk. Net toen we naar de auto’s wilden lopen, hoordeWim Baeren zag Henk Kroeze een paar veldleeuweriken overkomen.

Onderweg naar de noordkant van de Workumerwaard zagen we spreeuwen, graspiepers en zwarte kraaien. In de weilanden waren ook een paar wilsterflappers actief. Zij proberen goudplevieren onder hun slagnetten te krijgen. Vroeger was dat voor de Friese arbeiders een bijverdienste, want ze werden voor goed geld aan de rijken verkocht. Tegenwoordig worden ze nog op de ouderwetse manier gevangen om ze te ringen. Een eindje verderop probeerden een aantal jagers een haas te verschalken. Aan het eind van de weg bestegen wij de uitkijktoren. Tussen de kieviten en wulpen stonden honderden goudplevieren, die af en toe opvlogen en hun melancholisch roepje lieten horen. In de brede sloot met veel wilde eenden ontdekte Johan Pompert een paar dodaarsjes. Langs de waterkant stonden blauwe en grote zilverreigers te vissen. Op een grote paal speurde een buizerd het gebied af. Op de terugweg naar Workum werd onze aandacht getrokken door een biddende torenvalk en nog een jonge slechtvalk.

Daarna gingen we richting Aldegea (Oudega) op zoek naar de kleine rietgans. We troffen het, want al voor Blauhus (Blauwhuis) zagen we honderden in de weilanden staan. Omdat de zon hen zo goed bescheen, kwam de blauwgrijs berijpte kleur van de bovenste vleugeldekveren heel mooi uit. Ellen van Knippenberg was er lyrisch over. Ook het donkere kopje met een roze vlekje op de snavel vond ze prachtig. Omdat het gras nog zo hoog was, waren de roze poten niet zo heel goed te zien en kwam de Engelse naam pinkfoot niet zo goed uit. Met wat geduld kregen we de mooie, roze poten toch wel te zien. Deze kleine rietganzenpopulatie broedt op Spitsbergen (in 40 jaar van 10- tot 50-duizend gegroeid). Via Noorwegen en Denemarken komen ze in ZW-Friesland een paar weken fourageren, om dan door te trekken naar Zeeuws- en Belgisch Vlaanderen. Na in deze omgeving nog een paar groepen kleine rietganzen bekeken te hebben, gingen we richting de Afsluitdijk.

Aan de waddenkant van Kornwerderzand troffen we enkele tientallen toppereenden aan. Dit waren er maar weinig in vergelijking met wat we later op de middag bij Laaksum aan de kust van het IJsselmeer aantroffen. In de verte lagen in een lange, brede streep duizenden toppers. Verder lagen er op de Waddenzee nog wat futen en een enkele middelste zaagbek. Aalscholvers zaten in de buitenhaven op dukdalven te drogen. In een klein bosje op de dijk lieten een heggemus en een roodborst om de beurt hun riedeltje horen. Een winterkoninkje wipte ertussen door.

Aan de zuidkant van Kornwerderzand troffen we in de boompjes dit jaar niet, zoals vorig jaar de noordeuropese witkopstaartmees aan. Wel zaten er groenlingen en koperwieken. Wat verderop in een bosrandje stonden we zo’n beetje oog in oog met goudhaantjes, die ongestoord doorgingen met fourageren. Voorts zaten er veel trekkende merels en koperwieken.

Voor de terugweg gingen we weer richting Friese IJsselmeerkust. Tussen de Afsluitdijk en de Makkumer Noordwaard lagen grote aantallen kleine zwanen. Op de droge platen stonden veel wulpen en scharrelden er ook nog een paar grutto’s tussen. Verder fourageerden er grote groepen bonte strandlopers.

Bij de kust gingen we nog even aan bij de observatiehut bij Piaam. Rond de boerderij bij de P vlogen een paar Turkse tortels en een holenduif. Bij de hut stond het water heel laag. Daarom zaten de diverse eenden, ganzen en zwanen ver weg. Op de plaat stond nog wel een grote groep goed te onderscheiden scholeksters en wulpen. Op een plasje aan de noordkant van de hut liepen  een paar witgatjes te pikken. Op het pad door de rietvelden troffen we nog wat pimpel- en koolmezen en een rietgors. En in verte vloog een vrouwtje blauwe kiekendief voorbij. Toen aanvaardden we de terugreis en hadden op deze excursie ± 60 vogelsoorten gezien. In Friesland werden we uitgeleide gedaan door weilanden vol duizenden grauwe, kol- en brandganzen.

Om half 6 kwamen we weer voldaan in Kampen aan.

Tekst: Fibo Nannen

Foto’s: Sytse Tjallingii en Bertus Baer

 

 

Plantenexcursie 20-07-2011

Woensdagavond 20 juli staat er een verrassend grote groep mensen in de Groenestraat om onder leiding van Niels Jeurink in de omgeving van Kampen planten te inventariseren. Zelfs een mevrouw op de fiets, die helemaal vanuit Zwolle is gekomen .

Niels kiest als startpunt de berm langs de Kamperzeedijk, ter hoogte van Grafhorst, aan de kant van de Koekoekspolder. Zeer, zeer langzaam met alle neuzen naar beneden gericht lopen we enkele meters door de pas gemaaide berm. We geven aan Niels door welke planten we herkennen, zodat hij deze op zijn inventarisatielijst kan aanstrepen. Iedereen heeft daarin zijn bijdrage. Datgene wat we niet weten, wordt ons door Niels uitgelegd aan de hand van specifieke kenmerken van de plant. Er staat teveel om hier op te noemen.

We lopen voorbij waterpeper, herfstleeuwentand, biggenkruid, hanenpoot, muurpeper enz. richting de oorlogsbegraafplaats. De begraafplaats ligt op een boomrijke plek. Door de zandige, schrale bodem is de biotoop anders, maar helaas komen we niet veel speciale planten tegen in deze zeer bijzondere omgeving .

Je kunt ze niet over het hoofd zien: de zes witte grafstenen van de 2 Britse en 2 Australische, jonge vliegeniers van de Royal Air Force. In de Tweede Wereldoorlog stortte hun Lancaster bommenwerper in het Ganzendiep, slechts 1 persoon overleefde dit. Tevens ligt er één Nederlands oorlogsslachtoffer.

Op een hoger gelegen deel, bereikbaar via een hek, staan nog drie aparte grafmonumenten. Een soort zuil met de symbolen van de vrijmetselarij (passer en winkelhaak). Een slechts deels leesbare tekst wekt onze nieuwsgierigheid op.

Via een weggetje over een sloot verlaten we het kerkhof. In de sloot vinden we bultkroos en  kroosvaren. Onder de loep bekeken is het een bijzonder fraai plantje. In de herfst vormt het rode tapijten op de sloot. Het groeit in weinig vervuild, voedselrijk water.

Langs de sloot staan stippelganzenvoet, melganzenvoet en korrelganzenvoet keurig naast elkaar, zodat Niels goed de verschillen kan laten zien. (zie ook: www.wilde-planten.nl)

Het pad maakt een grote bocht naar links, waar langs de rechterkant geoorde wilg, grauwe wilg en veel hazelaars groeien. Daar moeten we later in het jaar nog eens terugkomen om hazelnoten te verzamelen.

De schapen in het weiland komen nieuwsgierig onze kant op. Wie bekijkt nou wie ? vraagt iemand van de groep zich af. Verderop twee spelende hazen.

Binnenkort, vertelt Niels, zal er in dit glastuinbouwgebied een proefboring naar aardwarmte plaatsvinden. (Een week later staat er in de krant, dat bij de boring, op1.950 meterdiepte, warm water van 73 graden Celsius is gevonden. Via een eerste put wordt het water via leidingen door de kassen geleid. In een tweede boorput stroomt het afgekoelde water dan weer terug.)

De Koekoekspolder (-2.5 tot -3 NAP) is de diepste polder van Overijssel. Gedurende 2 eeuwen werd er veen gewonnen en in 1909 werd het weer ingepolderd. Er is wel 6 keer zoveel kwelwater (10-25 mm/dag), als regenwater. Het kost dan ook veel energie om de polder droog te houden. Het water in de slootjes is door het kwelwater altijd heerlijk koel. Het water kleurt bruinachtig, niet door olie, maar omdat het ijzerhoudend is. Langs deze sloot vinden we o.a. oranje havikskruid, kleine en grote berenklauw en blaartrekkende boterbloem

Via het fraaie Schinkelpad lopen we naar de Parallelweg, die parallel loopt aan ? In ieder geval loopt er een sloot parallel aan de parallelweg. Met een houten beschoeiing vol wilde planten, vormen zij samen een lust voor het oog.

We lopen nog even door het dorpje Grafhorst. Oeps, foutje ! Grafhorst kreeg in 1333 stadsrechten. In 1849 verwoestte een brand vrijwel de gehele stad. Slechts drie van de 60 gebouwen stonden na de brand nog overeind. Vanwege de grootte wordt het nu meestal aangeduid als dorp.

We kijken nog even uit over het Ganzendiep. Het wordt al donker. Totaal 143 soorten zijn we deze avond tegengekomen. Niet gek ! Tevreden fietsen we huiswaarts.

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Heleen Strikkers

In memoriam Gerrit Frank 1928 – 2011

´Kampen verliest wijze mensen-mens`  kopte De Stentor boven een ´In memoriam´  van Gerrit Frank. Ik kreeg dit krantenartikel onlangs van een goede vriend. Het is een korte maar liefdevolle terugblik op een maatschappelijk zeer actief mens. 

Wat mij in het bericht echter opviel was dat `IJsseldelta´ niet werd genoemd. Aan een kant niet zo verwonderlijk, want ik denk dat veel meer activiteiten van Gerrit zijn weggelaten. Maar Gerrit Frank was wel (mede-) oprichter van deze Natuur- en Vogelbeschermingwacht en jarenlang heeft hij als voorzitter een hoofdrol gespeeld bij een groot aantal natuurbeschermingsacties rondom Kampen, acties die bovendien royaal de landelijke pers haalden. Voor mij een reden om nog eens in mijn oude krantenknipselarchief te duiken en terug te kijken op deze turbulente tijd.   

 

De strenge winter van 1962 – 1963 en de acties rond de wintervoedering van (water)vogels, maar vooral ook de concrete bedreiging van de natuur in de jaren zestig, was aanleiding om een natuur – en vogelbeschermingswacht op te richten. Gerrit Frank werd de eerste voorzitter. IJsseldelta had in de beginjaren een ambitieuze agenda. Het was Paul Rademaker die met het idee kwam om elke maand minstens één activiteit te organiseren. Excursies, natuurwandelingen, lezingen, filmavonden, inventarisaties, lesmateriaal voor de jeugd, nestkastprojecten en vooral voorlichting over de bedreigingen van de natuur en de mogelijkheden tot behoud. Die ambitie werd, mede dankzij Gerrit Frank,  volledig waargemaakt.

Dirk Landsman maakte een groot aantal leskoffers met lesmateriaal en opgezette dieren. Er werd een begin gemaakt met de inventarisatie van de Mandjeswaard en ook lukte het om van deze waard een beschermd vogelbroedgebied te maken. In die tijd kwam het voor dat Friese eierzoekers, soms met een toerbus, de weidegebieden rondom Kampen afstroopten op zoek naar kievitseieren. En om de ´beveiliging´ te optimaliseren stimuleerde Gerrit Frank een flink aantal leden van IJsseldelta om `controleur Vogelwet´ te worden. Samen met Vogelwachter Koridon organiseerde hij daarvoor  de lesavonden. Bekende vogelfilmers zoals Jo van Dijk, Jan P. Strijbos en Jan van de Kam kwamen hun films vertonen in de uitverkochte bovenzaal van De Hanzestad. Lezingen kwamen er van landelijk bekende vogelkenners zoals J. Philippona, ganzenspecialist en dhr. A.  Timmermans, onderzoeker bij het Rivon. Het waren Gerrit en Paul, die de contacten legden en speurden naar andere interessante vogelfilmers. Voortdurend ontplooide Gerrit initiatieven: Broedde er een paartje ooievaars op de schoorsteen van een boerderij langs de Zwartendijk? Gerrit Frank zorgde via Staatsbosbeheer dat er een paal met een wagenwiel kwam. Moest er een vergunning komen voor een excursie langs een van de nieuwe, maar afgesloten, dijken van Zuidelijk Flevoland? Gerrit Frank regelde dat. Moest er een artikel komen in Limosa over de waarneming van de zeer zeldzame roodpootvalken in de polder Mastenbroek  (juli 1967)? Gerrit Frank schreef dat.

 

Begin 1969 was een drukke tijd: Door IJsseldelta werd geprotesteerd tegen de excessen bij de ganzenjacht in Mastenbroek.  De krantenkoppen luidden: Scherp protest van IJsseldelta op ganzenjacht in Mastenbroek´  en `Vogelbeschermers luiden alarmbel met betrekking onweidelijke ganzenjacht´.  En daarnaast werd actie gevoerd om de kolken langs bijvoorbeeld de Zwartendijk weer schoon te krijgen. Krantenkop: ´Ontsiering van Landschap, Kolken worden gebruikt als vuilstortplaatsen.`

 

Maar de drukste tijd voor Gerrit kwam toen de provincie Overijssel vond dat de monding van de IJssel wel een geschikte plaats zou zijn voor de bouw van een elektriciteitscentrale.  En van daaruit zouden dan maar liefst negen hoogspanningslijnen uitwaaieren naar alle kanten.  De directeur van `het Oversticht´, de heer Maaskant, openbaarde dit plan bij de Christelijke Vrouwenbond afdeling Kampen – Noord.  IJsseldelta was wel op de hoogte van dit voornemen, maar er moest een kapstok zijn om de actie tegen deze tot dan geheime plannen te kunnen starten.

 En toen ging het los. Koppen als : ´Vogelwacht “IJsseldelta” vreest plannen krachtcentrale´, ´Leden verontrust over toekomst Kampereiland´, ´Vogelwacht “IJsseldelta” spreekt ongerustheid uit over de bouw van krachtcentrale op Kattenwaard´,  ´IJsseldelta is fel gekant tegen bouwen van krachtcentrale op het Kampereiland´.

Wat voor Gerrit Frank bij al dat actievoeren voorop stond was: zorg dat je een alternatief hebt.

In het geval van het Kampereiland werd Schokkerhaven of Zwolsche hoek voorgesteld. Door de elektriciteitsmaatschappij ´IJsselcentrale´ werd de bouw bij Schokkerhaven afgewezen om financiële redenen, bouw op die plek zou 28 miljoen gulden meer kosten. 

Begin maart 1969 begon de protestactie tegen de bouw van de centrale op het Kampereiland. In een felle protestcirculaire werd een handtekeningenactie gestart. IJsseldelta bracht naar voren dat 28 miljoen gulden wel een hoop geld was, maar dat dit bedrag slechts 2,8 % van de stichtingskosten bedroeg. Bovendien was dit bedrag slechts een globale aanname en zeker niet gebaseerd op gedegen financieel onderzoek. Veel fundamenteler was dat IJsseldelta de verwevenheid tussen Provinciale en Gedeputeerde Staten en het bestuur van de NV. IJsselcentrale  op de korrel nam.  IJsseldelta trok de objectiviteit van de Staten op dit punt in twijfel.

Het zou een artikel op zich zijn om het verloop van deze actie weer te geven. In het verleden heeft de Ratelaar daar al eens uitvoerig aandacht aan geschonken. Wel is het zo dat ik zeker drie plakboeken vol heb met krantenartikelen uit die tijd. Waar het mij in dit artikel om gaat is de prominente rol die Gerrit Frank in het geheel heeft gespeeld. Samen met Cees Mortier (districtsconsulent bij het Staatsbosbeheer) en ondergetekende werd een kerngroep gevormd, die lik op stuk kon reageren op de ontwikkelingen. Soms leek het of we voor een verloren zaak vochten, maar altijd weer zag een van drieën een lichtpunt of een handvat om weer verder te gaan. Het was Gerrit´s idee om een boekwerk  samen te stellen met als titel ´Het Kampereiland bedreigd´. Een uitstekend idee bleek, want ik denk dat in die tijd geen krant deze uitgave negeerde.  De plaatselijke pers publiceerde het boekwerk bijna integraal in hun kolommen en diverse landelijke kranten besteedden soms een halve tot een hele pagina aan het conflict. Kop in dagblad Het Parool: `Zeldzaam natuurgebied dreigt verloren te gaan´. Kop in de NRC: `Natuurliefhebbers vechten voor Kampereiland.´ Het was ook Gerrit´s idee om een klein foldertje te maken met de centrale gemonteerd in het  Kamper stadsfront.  Dat  maakte in een klap duidelijk hoe kolossaal deze centrale het landschap zou gaan domineren.

In een forumbijeenkomst lanceerde Gerrit die het idee om een waterloopkundig modelonderzoek te laten uitvoeren. Hij daagde de NV IJsselcentrale  uit om dat onderzoek te betalen en zowaar dat lukte. Dat onderzoek van het Waterloopkundig Laboratorium in Kraggenburg bleek een belangrijk document bij de discussie.  Een plek bij de Ketelbrug blijkt de beste en Schokkerhaven is een goed alternatief,  zo luidde de conclusie van het rapport.

Tijdens de discussie over de plaats voor de bouw van de centrale probeerde de NV IJsselcentrale de overheid voor een voldongen feit te stellen. De elektriciteitsfabriek deed namelijk een aanvraag om op het Rechterveld een koppelstation te mogen bouwen. Daarmee werd de bouw van dit onderstation en de aanleg van de hoogspanningleidingen losgekoppeld van de eventuele bouw van een centrale. Dat hield volgens  de IJsselcentrale  ook de mogelijkheid open om de nieuwe centrale eventueel bij Schokkerhaven te situeren.  Maar de achterliggende gedachte was natuurlijk: als we het onderstation op het Rechterveld bouwen dan ligt ook de bouw  van de Centrale op de Kattenwaard vast. De Kamper Raad stak gelukkig een stokje voor dit plan en ging niet akkoord. Dan plotsklaps, in augustus 1970, na anderhalf jaar actievoeren, kwam het bericht dat de IJsselcentrale het nieuwe onderstation gaat bouwen bij Schokkerhaven en afzag van de bouw van een centrale op het Kampereiland.  Daarmee was de strijd nog niet helemaal gestreden, want ook over de tracés van de hoogspanninglijnen werd nog heel wat afgesteggeld.

 

Denk niet dat het actievoeren tegen de centrale alle tijd opslokte van Gerrit Frank. In het natuurbeschermingsjaar N70 werd in het voorjaar, naast de gewone excursies, een grote publiekswandeling georganiseerd langs  de toen nog landelijke Trekvaart in IJsselmuiden en langs de rivier de IJssel. En in het najaar werd de grote tentoonstelling in de Koornmarktspoort, getiteld ´Mens en Natuur´, een samenwerking tussen maar liefst acht hobbyverenigingen en een aantal overheidsinstanties  geopend door Gedeputeerde Thomas van de provincie Overijssel. De motor achter dit alles? U raadt het al.

 

 

 In februari 1971 neemt Gerrit Frank afscheid als voorzitter. Het slot van zijn voorzitterstoespraak:

“ Bij de bouw van de centrale aan het Ketelmeer gaat het alleen om financiële en nauwelijks om technische belangen, zo verzekerden ons deskundigen op hoog niveau. Maar de vorming van de natuur kost eeuwen. Dat mogen we niet opofferen voor wat geld. De natuur die er nog is, is onvervangbaar. We zijn al ver beneden het noodzakelijke minimum. Elke verdere aanslag op de natuur is een aanslag op onszelf. Dat is helaas geen kreet,maar een noodkreet. Tast niets meer aan, dat is het enige advies dat we de overheid kunnen geven.”

 

Nederhorst den Berg , augustus 2011

Roel Kapenga