Plantenwerkgroep, excursie naar Ramspol 19 augustus 2015

collage

 

Ramspol is het punt waar Kampereiland en Noordoostpolder elkaar bijna raken. Voor de inpoldering was Ramspol een onbedijkt eilandje in de Zuiderzee ter grootte van 5.83 ha voor de Overijsselse kust ter hoogte van Kampen.

Het eilandje was genoemd naar Everhard Ram (1614-1681), burgemeester van Kampen en van 1677 tot zijn overlijden in 1681 gedeputeerde van Overijssel naar de Staten Generaal. Ramspol werd verhuurd aan een pachter van een van de pachterven op het Kampereiland. In 1852 werd dit eilandje door de aanleg van een krib van 800 meter lengte verbonden met het Kampereiland. De oprit naar de Ramspolbrug in de weg van IJsselmuiden naar Ens, de N 765, loopt over die vroegere krib.

Na het aanleggen van de dijk van de Noordoostpolder en het droogmalen van die polder werd er in 1941 een werkkamp met de naam Ramspol aangelegd aan de kant van de Noordoostpolder aan de dijk. Hier werden arbeiders gehuisvest die werkten aan het in cultuur brengen van de net drooggevallen polder. Aanvankelijk vond de verbinding met het Kampereiland plaats met een baileybrug over de Ramsgeul en een pont over het Ramsdiep, maar na 1952 lag er een brug.

Naast de brug in de rijksweg ligt de balgstuw. Komend vanuit de Noordoostpolder is het perceel grasland op het Kampereiland direct rechts na de brug en de balgstuw een deel van de vroegere Ramspol. Het gehucht in de Noordoostpolder direct naast de brug met slechts enkele woningen en boerderijen wordt samen met brug en balgstuw tegenwoordig Ramspol genoemd.


De avond is mooi, het water blak.

het water is blak

 

Na wat omzwervingen bereiken alle deelnemers, een enkeling komt van heinde of ver, uiteindelijk het startpunt van de excursie, de Balgweg, ten westen van de Ramspolbrug. We mogen deze avond 2 nieuwe deelnemers begroeten en enthousiast gaan we op stap op zoek naar bijzonderheden.

De dijk wordt  afgeschuimd: geel walstro, glad walstro en duifkruid? Nee: geen duifkruid, Scabiosa columbaria, zoals de ook tuinliefhebbers in de groep denken, maar beemdkroon, Knautia arvensis. De planten lijken in eerste instantie wel op elkaar maar het verschil zit in het blad en de bloembodem.

Wij zien het verschil en proberen het in onze oren te knopen. Het Knoopkruid (Centaurea jacea), dat verderop op de dijk groeit, werkt hieraan echter niet mee maar vergroot wel het puzzelplezier.

Enkele kenmerken:

Knautia arvensis, beemdkroon

Knautia arvensis, beemdkroon

Beemdkroon, Knautia is een vaste plant. De plant wordt 15-60 cm lang en heeft grijsgroene bladeren. De onderste bladeren heel en de bovenste veerspletig. Beemdkroon heeft een vertakte wortelstok (rizoom) en soms ook uitlopers. De stengel is door zeer korte haren grijs en door de langere haren stijf behaard. Beemdkroon bloeit met lila bloemen vanaf juni tot de herfst. Ook komen soms witte of gele bloemen voor.

 

Scabiosa_columbaria, duifkruid

Scabiosa_columbaria, duifkruid

Duifkruid, Scabiosa wordt 30-90 cm hoog. De onderste bladeren zijn liervormig tot lierdelig en hebben een grote eironde eindlob. De verdere bladeren zijn fijner gedeeld en een- of twee maal veerspletig. Duifkruid bloeit van juli tot september met roodachtig lila, soms wittebloemen, die in een 1,5-3,5 cm breed hoofdje zijn gerangschikt. De zoom van het vliezige, bijzonder omwindsel (omwindsel van schutbladeren) staat breed uit. Op de bloembodem staan stroschubben. De vrucht is een nootje.

Vroeger werd er geen verschil gemaakt tussen beide soorten.

Knoopkruid, Centaurea jacea

Knoopkruid, Centaurea jacea

Knoopkruid, Centaurea. De overblijvende plant wordt 30-70 cm hoog. De bovenste bladeren zijn ongedeeld en staan afwisselend langs de stengel. De onderste bladeren zijn meestal bochtig tot veerspletig. De bloemhoofdjes zijn 2-4 cm breed. Ze bestaan uit roze tot roodpaarse buisbloemen. De randbloemen hiervan zijn vergroot en steriel. Door het vergroten en het opzij staan lijken ze op lintbloemen. De omwindselbladen in de bovenste helft hebben een afgescheiden, gestekeld aanhangsel. De bloeiperiode loopt van juni tot in de herfst.

We vervolgen onze weg en vinden onder andere goudhaver, akkerdistel, muskuskaasjeskruid

muskuskaasjeskruid

muskuskaasjeskruid

(van Jan moeten we even ruiken), wederik, rolklaver, boerenwormkruid (dit werd vroeger in de huizen opgehangen om met de geur ervan vliegen te verdrijven), hopklaver, harig wilgenroosje.

Op het natte gedeelte: mannetjesvaren, moerasandoorn, het onder tuinlieden overgewaardeerde heermoes en zevenblad, smalle weegbree en moerasmelkdistel (niet bepaald moeder’s mooiste.)

Er volgt een stevig debat over een eenzame verschijning tussen de grassen. De plant lijkt sterk op echte marjolein (Origanum majorana), maar het kan ook wilde marjolein zijn (Oreganum vulgare).

De echte marjolein is afkomstig uit het oosten van het Middellandse Zeegebied. Door de oude Grieken werd marjolein samen met peterselie als middel tegen een kater gebruikt. Men vlocht er een krans mee en zette die op het hoofd tijdens de feestmaaltijd.

Er is maar 1 exemplaar dus een krans vlechten zit er niet in en om te voorkomen dat wij een kater overhouden aan deze plant noemen we hem Origanum ‘Ramspoliana’!

Origanum 'Ramspoliana'

Origanum ‘Ramspoliana’

Wij vervolgen onze weg richting de loopsteiger van de balgstuw en noteren nog:, teunisbloem, krulzuring, veenwortel (vlekken op blad), st. Jacobskruiskruid, smalle wikke, luzerne, morgenster, klein hoefblad, moeraskruiskruid, koninginnekruid, engelwortel, wolfspoot, witte en citroengele honingklaver, zeegroene rus, mannagras, valse voszegge, bijvoet, Canadese fijnstraal, dauwbraam, meidoorn en diverse soorten wilg, waaronder schietwilg.

Aan het eind van de avond heeft Niels 92 soorten op de teller staan. En dan is het donker en gaan we naar huis.

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Comments are closed.