Category Archives: Plantenwerkgroep – verslag

Plantenwerkgroep, excursie Winterswijk 9 juli 2016

collageMet 5 man sterk vertrekken we zaterdagochtend uit Kampen, via Arnhem, richting Winterswijk. In de buurt van Arnhem hoopt Niels langs de snelweg gifsla tegen te komen. Deze heeft hij vanuit de auto al eens zien staan. Met dank aan de Tomtom van Niels : “SLA na 300 meter linksaf” vinden we bij een parkeerplaats inderdaad gifsla (lactuca virosa – zeer zeldzaam). Onze volgende waarneming is “munt” op de heerlijke Apfelstrudel met slagroom op het marktplein in Winterswijk.

Vervolgens rijden we door een prachtig coulisselandschap met fraaie boerderijtjes. Het voelt alsof men een beetje achter loopt in de Achterhoek en dat ervaren we als zeer aangenaam.

Parelmoervlinder

Parelmoervlinder

Bij het natuurgebied Willinks Weust parkeren we de auto en lopen langs de Sibelco kalksteengroeve het gebied in (Muschelkalk). Links een kijkwand waar je, als je geluk hebt, de Oehoe kunt spotten, die in de wand van de 240 miljoen jaar oud, niet meer in gebruik zijnde, steengroeve, zijn nest heeft.

Langs het pad vinden we veel gewone soorten, zoals gewone agrimonie, gewone braam, gewoon struisgras, gewone vlier, gewone engelwortel, gewone hennepnetel, gewone brunel en gewoon biggenkruid, naast andere algemene soorten.  Tot onze “verrassing”  vinden we in het bosgebied een prachtige open plek met stukje blauwgrasland en daar komen we soorten tegen die je niet dagelijks ziet, zoals pijpenstrootje, gevlekte orchis, stijf havikskruid, stijve ogentroost, gewone vleugeltjesbloem, veelbloemige veldbies, het zeer zeldzame karwijselie (witte puntjes aan de bladeren), fraai hertshooi, goudgele honingklaver, kale jonker en moerassmele ?? Zeer zeldzaam, echter dit blijkt later helaas toch bochtige smele te zijn geweest.

winterswijk

Langs de bosrand, een klassiek eiken-haagbeukenbos, vinden we een prachtige parelmoervlinder. Iets verder de fraaie rups van een helmkruidvlinder op boszegge. Het bos is prachtig en  in het voorjaar zeker de moeite waard om een keer terug te keren. We vinden er bosviooltjes (donkersporig / bleeksporig ),bosanemonen, klaverzuring, heksenkruid en  glanshaver. Even zijn we Niels kwijt, die alleen en in z’n eentje (bron : Klein Orkest) op zoek is gegaan naar de eenbes. Helaas niet gevonden, maar we zijn heel tevreden met de 149 soorten die we wel zagen.

We keren terug naar de auto en rijden via een onvervalste landweg  vol kuilen en bulten naar de Borkense Baan, waar in vervlogen tijden een heuse stoomtrein liep van Winterswijk naar Borken.

Zittend op de nog aanwezig rails, nuttigen wij de meegebrachte boterhammen. Het is er opvallend stil, slechts de vogeltjes laten zich af en toe horen. Na de lunch lopen we links van de spoorbaan een drassig gebied in met een prachtige ven. Veel gevlekte orchissen, kleine- en ronde zonnedauw en stijve moerasweegbree in bloei (zeer zeldzaam),  dwergzegge en blauwe zegge, borstelgras, heidekartelblad. Deze laatste parasiteert op kleine wolfsklauw. Eten en gegeten worden. Uit het gedroogde lijkje van een  kikker kruipt een vreemde wants. Dit blijkt later een stinkzwamaaskever te zijn.

stinkzwamaaskever

stinkzwamaaskever

We steken de spoorbaan over, waar valse salie prachtig in bloei staat. Het gebied rechts van de spoorbaan is minder drassig. We vinden er klein blaasjeskruid (vrij zeldzaam –pas op, niet naar wijzen, want is een vleesetende plant), grote wilde gagelstruik, hazenzegge, sterzegge, welke net boven het water uitsteekt, koningsvaren, vetblad, stekelbrem. We twijfelen over een rus. Boek erbij gepakt en een kenmerk is: makkelijk of moeilijk uit de grond te trekken. Tsja wat moet je daar nu mee.

“Zitten hier ook adders”, vraag ik Niels, waarop ik als antwoord krijg: “alleen onder het gras”.

We lopen naar links over de spoorbaan richting een grote plas met heel veel waterlelies. Een levendbarende hagedis ligt op de rails in het zonnetje, maar schrikt van ons. We lopen om de plas heen en nemen een korte pauze. Het uitzicht is geweldig mooi. In de brede oeverranden van de plas groeit wateraardbei, snavelzegge en veenpluis .  Na de pauze lopen we door een donker bos met salomonszegel en veel lekkere bosbessen.  Vervolgens door stuk heideveld en een donker triest dennenbos. Tot onze verrassing komen we uit bij de auto (dat hebben we wel anders meegemaakt) nog even duiken we weer het bos in om het prachtig bruin/goudgele beekje dat daar loopt te bewonderen. We hebben 136 soorten gezien, teveel om hier op te noemen.

Dan op naar het Wooldse Veen: een Natura 2000 gebied ten zuidoosten van Winterswijk doorlopend over de Duitse grens, daar overgaand in natuurgebied Burlo-Vardingerholter Venn und Entenschlatt.

Ronde zonnedauw

Ronde zonnedauw

Een mooie wandeling over loopplanken geeft een goede indruk van dit fraaie hoogveengebied. Een gebied met veenputten en veendijken: overblijfselen van de vroegere afgravingen, waarbij men na verdroging het veen gebruikte voor turf. Door het natuurherstelplan van o.a. Natuurmonumenten, vormt zich nieuw hoogveen in de veenputten, met als begroeiing onder andere witte- en bruine snavelbies, zonnedauw, lavendelheide, eenarig wollegras, kleine veenbes en veenmos. De veendijken zijn begroeid met berken en soms ook eiken. Doordat de ondergrond  grotendeels uit keileem bestaat heeft men een zware verdroging kunnen voorkomen. Wel moet in de gaten worden gehouden dat berken en eiken niet de overhand krijgen en het gebied nat genoeg blijft. Op onze wandeling door het gebied zien we delen , zeer fotogeniek, verdronken berkenbroekbos.

Ook komen we twee van de maar liefst 186 oude grensstenen tegen met het jaartal 1799. Tussen het Nederlandse en Duitse veengebied loopt een oude smokkelaarsroute: het Commiezen pad. Dit liep midden door het veen, pal op de grens. (Een commies was een douanier of grenswachter). Zie voor de route en zijn geschiedenis : www.wandelbeeld.nl . Niels noteert tijdens de wandeling 91 soorten wilde planten.

In Groenlo (Grolle) eten we samen nog gezellig een hapje bij het voormalige postkantoor aan het marktplein, als afronding van een zeer geslaagde dag. En doen onze laatste waarneming: peterselie op de mosterdsoep.

Verslag: Ellen van Knippenberg

Fotografie: Ellen van Knippenberg en Gonny Sleurink

Plantenwerkgroep, excursie Zalkerbos 17 juli 2016

_mg_7830

Het Zalkerbos in de zomer: bloeiend Slangenlook

Traditie getrouw starten we het excursieseizoen van de plantenwerkgroep het ene jaar in Scheerenwelle en het andere jaar in het Zalkerbos, zo ergens in april. Voor het Zalkerbos weliswaar een mooie tijd, omdat dan alle voorjaarbloeiers in bloei staan, maar tja, dan mis je steevast het bloeiende Slangenlook, één van de pareltjes van het Zalkerbos. Dit jaar reden voor een bezoek in de voorzomer.

We verzamelden ons bij het Meeuwenplein, of gingen rechtstreeks met fiets of auto, en verkenden met ons 10-en het gebied.

We kwamen veel bekende soorten uit het voorjaar tegen, waarvan sommige nu in bloei, zoals Gevlekte dovenetel, Slangelook (aan het eind van z’n bloei) en Kraaielook (aan het begin), Schaafstro, Bosrank, Grote muur en Hop.

Duivekervel Kraailook Gevlekte dovenetel Schaafstro

Voor sommige grassen is het in april nog te vroeg waardoor ze niet te determineren zijn: maar nu zagen we Kweekdravik, een soort van langs de rivieren die we dankzij de bloeiwijze nu op naam konden brengen.

Alle veranderingen rond de inrichting van het Zalkerbos zijn misschien nog wel een groter verschil met onze vorige excursie naar dit gebied in april 2015 dan het jaargetijde. Landschappelijk is er sinds vorig jaar veel aangepakt: er is meer bos aangeplant, waardoor het bos robuuster wordt, maar er ook doorkijkjes verdwijnen. Er is  meer water door een extra geul in de uiterwaarden. En de bovenlaag van een waard, grenzend aan de rivier,  aan de zuidzijde van de weg is helemaal afgeplagd.  En die veranderingen zorgen voor tijdelijke of blijvende andere vegetatietypen. Zo kwamen we tal van planten tegen die er vorig jaar überhaupt niet waren, of alleen als sluimerende zaden in de grond.

Als compensatie voor alle aanpassingen aan de IJssel met het uitdiepen van de vaargeul wordt het bos uitgebreid. Op 3 plaatsen zagen we een jonge aanplant van bos, waarbij de ondergroei nu allerlei akkeronkruid-achtigen bevat. Die zullen op den duur wel weer verdwijnen. De mooiste daarvan: Gewone duivenkervel met teer fijn ingesneden blad, en roze bloemen met donker roze vleugeltjes die zich veelvuldig tussen de jonge aanplant slingerde. De helder gele bloemen van enkele Gele ganzenbloemen vielen daartussen goed op. Verder akkerviooltje, diverse Ganzevoeten, Getande weegbree, naast de gewone Grote weegbree, Zwarte nachtschade, Gewone raket, Akkerkool, Herik en Kroontjeskruid.

Meer naar de rivier toe is een extra watergeul gegraven, wat ook weer voor nieuwe vegetatietypen zorgt. Daar zagen we o.a. Rode waterereprijs, Moerasandoorn en Avondkoekoeksbloem. Meer in de houtwallen o.a. Kompassla, dat zijn bladeren verticaal draait.

Inmiddels begon de lucht al prachtig rood te kleuren. Tegen dat decor zagen we een paar Lepelaars overvliegen.

_mg_7832

In de avondschemering maakten we een laatste uitstapje naar een perceel direct grenzend aan de IJssel, waar de bemeste bovenlaag secuur vanaf is geschraapt, met behoud van het oorspronkelijke reliëf. Door oude afzettingen van de rivier zijn zandruggen ontstaan met allerlei laagtes en hoogtes. Een zomerdijk beschermd beide waarden tegen teveel overstromingen.  Door het afschrapen van die bovenlaag ontstaat een waard, die in potentie vergelijkbaar is met de Vreugdenrijkerwaard aan de andere kant van de rivier (stroomdalgrasland).

Het is spannend wanneer en welke bijzondere soorten uit de Vreugdenrijkerwaard zich ook gaan vestigen aan deze kant van de rivier! Bij het laatste voldoende licht maakten we de ‘nulstand’ op: heel veel akkerwinde, Fioringras, Zeegroene ganzenvoet en Stippelganzenvoet, Groot kaasjeskruid en Kleine klaver, Witte krodde maar ook al meer bijzondere soorten die zich hier meer zullen gaan vestigen als Sikkelklaver en Kruisdistel.

Van af nu moeten we eigenlijk elk jaar even een kijkje gaan nemen om de ontwikkelingen bij te houden! Bijzonder, en dat zo dicht bij huis.

Tekst: Toos Lodder

Fotografie: Gonny Sleurink

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Springendal Twente 28-5-2016

Het dal van de Mosbeek: excursie naar een bijzonder en plantenrijk gebied

Collage

Op 28 mei vertrokken we om 8.00 uur met 6 man/vrouw naar Twente voor een excursie naar het dal van de Mosbeek in Twente. Voor planten een behoorlijk uniek gebied in Nederland en landschappelijk ook nog eens heel mooi.

We parkeerden de auto’s bij de Watermolen van Bels. Daar is een nieuw bezoekerscentrum met de toepasselijke naam IJs en Es: het dal van de Mosbeek en het daarnaast gelegen Springendal zijn ontstaan in de ijstijd als stuwwal, waar de Mosbeek zich een weg in heeft uit gesleten.

De Mosbeek wordt gevoed uit water (sprengen) die uit aardlagen opwellen. Daardoor is een afwisselend landschap ontstaan met veel reliëf, wat in de verte wel wat van Limburg heeft. Op korte afstand kwamen we heel  verschillende landschapstypen en heel verschillen plantengemeenschappen tegen. Nat bronbos, natte schraalgraslanden, maar ook (hoge en droge) heide, beukenbos en akkerlandjes.

In de poëtische woorden van het bezoekerscentrum:

“Hier op slechts enkele kilometers van Ootmarsum en Tubbergen borrelt in alle stilte water uit de bodem. In kleine hoeveelheden, maar gestaag. Het voedt de natuur en een reeks van gedachten. Ze maken stil, want dit is de bron. Dit is Twente.”

Op die stilte moesten we trouwens wel even wachten, want het terras van de molen werd met een bladblazer grondig schoon geblazen.

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 1 ingang watermolen Bels Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-2815 koffie niet verkeerd Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 2 kaart Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 3 Meikever Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 5 Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 8 Eekhoorngras

De informatiepanelen boden ons nog meer wetenswaardigheden en adviezen. Alleen Ellen was voorzien van ‘Wellington’s’ (hoewel geen echte) zoals het advies in het Engels was, maar ook zonder laarzen konden we dit keer goed terecht.

Direct bij de molen zagen we aan een plasje (spaarbekken voor de watermolen) onze eerste bijzonder waarneming: Eekhoorngras, familie van het Langbaardgras. Eerst als enige tussen Bosbies, Ruw beemdgras en Gestreepte witbol, maar als snel bleek dat er op een droger stukje toch nog meer stond.

In de bosranden langs de velden o.a. Dolle Kervel: familie van het Fluitenkruid, maar met donkere stelen, tegen het aubergine aan, die door rijke beharing weer wat witter ogen. Bermzuring wordt vaak over het hoofd gezien: een kruising tussen Ridderzuring en Krulzuring, met als eigen kenmerk een behaarde middennerf aan de onderzijde van het blad. Die komt dus vast vaker voor dan uit de statistieken lijkt.

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 11 Bosbies Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 13 Brede stekelvaren Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 16 Zachte ooievaarsbek Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 17 Grote muur Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 51 landschap Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 18 landschap

We stonden bij onze eerste Kale Jonkers wat langer stil, omdat de bladeren ook wel veel weg hadden van een Speerdistel, maar de kluwen aanstaande bloemhoofdjes gaf de doorslag.

Bij het spaarbekken van de watermolen van Frans (bezoekerscentrum, maar die dag gesloten) zagen we o.a. Kleine Varkenskers, naast Grote Varkenskers. Familie van de andere kersen, wat je kan ruiken aan de Kleine Varkenskers: de geur lijkt erg op die van Sterrenkers.

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 20 bord molen van Frans Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 22 Molen van Frans Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 28 Spurrie Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 29 Molen van Frans Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 32 Molen van Frans Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 39 Dikkopjes Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 44 onderverhuur Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 43 Gelderse Roos

In een arm roggeveldje, waarvan we er verscheidene zagen, o.a. Slofhak, Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 34 Slofhakeen eenjarige grassoort van schrale akkergronden die door bemesting sterk in aantal is teruggelopen: het kleine broertje van Reukgras. Daar vonden we ook veel Kleine Leeuwenklauw, Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 35 Kleine leeuwenklauwdie we ook op meer gewone akkers zagen. Er werd een speciaal oud Roggeras geteeld: St Jans rogge, dat – uiteraard- plaatselijk werd verwerkt.

In sommige bosjes bij boerderijen ook veel (verwilderde) tuinplanten, zoals Reuzen Balsemien, Grote Veldbies, Grote Maagdenpalm, een geel-wit bloeiende Smeerwortel (Symphitum grandiflorum), en Kruisblad Euphorbia. In het bos nog een andere tuinplant: Franje kelk.

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 54 landschap Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 55 op de knieën Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 56 Gevlekte orchis Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 60 vetblad foto Ellen Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 82 verboden op plantjes te trappen

En dan onze hoogtepunten: 2 (3) prachtige blauwgraslanden. We troffen het, want het vetblad stond in bloei. Eerst zagen we enkele exemplaren, maar dat werden er al snel heel veel: een mooie paarse gloed. In Nederland heel zeldzaam, maar verwant aan het Alpenvetblad wat je hoog in de Alpen tegen kan komen.  Ik herinner het mij van van die Alpenweitjes waar de sneeuw net is weggesmolten. Vetblad is een vleesetend plantje: de bladen zijn vettig en opvallen bleekgroen. Vliegjes die daar op gaan zitten zijn verloren.

Een citaat uit de Wilde Planten trilogie van Westhoff (1970-1973): ‘het aantal plaatsen waar vetblad voorkomt is in een halve eeuw tijds 95% geslonken.  Op de plaatsten waar ze nu nog voorkomt groeit ze vaak nog maar met enkele exemplaren. Toen Linnaes deze plant doopte was ze nog vulgaris en ook toen Heimans en Thijsse jong waren was het vetblad vooral in het oosten van ons land nog zo algemeen dat men haar overal tegenkwam en Twentse kinderen ze nog kleverige viooltjes noemden.’ Kleverige viooltjes is wel een toepasselijke naam.  Ik zoek hem even op in de Heukels van mijn oma (3e druk 1907) en inderdaad: Pinguicula vulgaris, vetblad, op moerassige veengrond en in de duinen. Vrij algemeen.

Een andere opvallende schoonheid die nog niet in bloei stond is Beenbreek. Eigenlijk moeten we over een maand terug voor een weide die dan volledig geel is van de Beenbreek. Andere soorten die we hier vonden waren Heide kartelblad, een half parasiet. Dat kon je zien op een plek waar het veel stond en andere planten veel kleiner bleven. Verder Zenegroen, Kleine Zonnedauw, Parnassia, Rietorchis, Dwergzegge, Bronkruid, Gulden (?) Sleutelbloem, Brede Orchis, Spaanse Ruiter, Gevlekte Orchis, Blauwe Knoop, Vlozegge en nog veel meer.

Een andere bijzonderheid was een bronbosje en van nature voedselrijk moerasbosje. Elzenbroekbos met meerstammige Elzen en een ondergroei van Bittere veldkers, mooi wit bloeiend, Bitterzoet, Holpijp en Dotterbloemen (ook al uitgebloeid, maar in deze bossige omgeving met enorme bladeren.)

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 66 Tellima grandiflorum Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 67 Bittere veldkers

Al die aandacht voor herstel en behoud van de natuur levert prachtige en interessante landschappen op en is ook goed voor de recreatie, maar sommige boeren werd/wordt het toch wat te benauwd: één had op zijn erf het bordje: ‘Bedreigde boer’ geplaatst. Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 70 kwetsbare boer

Terug naar de auto volgden we de Duitse grens, die we ook zo af en toe overstaken. Een echt grensoverschrijdend natuurgebied is het niet. We volgende o.a. een enorme maisvlakte, langs plekken waar naar gas werd geboord, voor we via smokkelpaadjes weer op vertrouwd gebied kwamen.

Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 71 grassen Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 73 landschap Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 77 wikke en viooltjes Twente, het Dal van de Mosbeek, 2016-5-28 80 terug de molen van Bels

In totaal hebben we 248 verschillende soorten gezien, in vier verschillende kilometerhokken. In hok 254-496, het hok met daarin de molenvijver van de beide molens Frans en Bels, vonden we de meeste soorten: 187. Deze waarnemingen komen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De gegevens worden o.a. gebruikt voor het maken van verspreidingskaartjes, trendonderzoek enz. Verspreidingskaartjes kan je vinden op www.verspreidingsatlas.nl. Daar vind je van veel soorten ook een korte beschrijving en foto’s.

Tekst: Toos Lodder

Foto’s: Heleen Strikkers

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Kampereiland, woensdagavond 25 mei 2016

oude kaart

Van het Kampereiland hebben we nog niet zo heel veel gegevens verzameld. Terwijl er toch diverse bijzondere soorten te vinden zijn. Je vindt er allerlei soorten die kenmerkend zijn voor het rivierengebied maar ook de slootjes en de graslanden zijn de moeite van een bezoek waard.

Vanavond starten we bij het gemeenschapscentrum ‘Ons Erf’ en lopen in het te onderzoeken kilometervak de Heultjesweg op. Het is onbewolkt en het blijft daardoor langer licht.

de Heultjesweg

We beginnen direct met inventariseren, onder andere leden van de grassenfamilie (Poaceae).

De grassenfamilie (Gramineae of Poaceae, beide namen zijn toegestaan) is een van de soortenrijkste plantenfamilies van de bedektzadigen. De familie omvat ongeveer 8000 soorten. Leden van deze familie komen op alle werelddelen voor. Ook granen, zoals tarwe en rijst, zijn vertegenwoordigers van de grassenfamilie (Wikipedia).

Wij noteren deze avond de volgende soorten:

Goudhaver (Trisetum flavescens)

Gewone glanshaver, voorheen Frans raaigras (Arrhenatherum elatius)

Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis) pratensis = betreffende de weide

Ruw beemdgras (Poa trivialis)

Liesgras (Glyceria maxima)

Engels raaigras (Lolium perenne)

Reukgras (Anthoxanthum odoratum)

Zachte dravik (Bromus hordeaceus)

Riet (Phragmites australis)

en heel bijzonder:

Trilgras (Briza media) of bevertjes. De botanische naam is afgeleid uit het Grieks: briso betekent slaperig. Dit verwijst naar de slappe en afhangende stengels, die op die manier lijken te slapen. Naar deze soort hebben we in deze omgeving al eerder gezocht en gevonden. Dit is een nieuwe plek!

We zijn in internationaal gezelschap want na het Franse en het Engelse gras ontmoeten we ook nog wat russen. Deze planten worden vaak voor een grassoort aangezien, maar zijn dat niet. We noteren Zilte rus (Juncus gerardii) of Platte rus (Juncus compressus) – zoeken we op -, lid van de russenfamilie (Juncaceae).

En nu denkt u natuurlijk: ‘Dan zal de Lidrus daar ook wel familie van zijn’, maar nee, de Lidrus (Equisetum palustre) is dan weer lid van de paardenstaartenfamilie (Equisetaceae) en heeft geen gelijkenis met gras.

Een plantensoort die ook nogal eens onterecht gras wordt genoemd is Zegge. Zegge is een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten, behorend tot de cypergrassenfamilie. De circa tweeduizend soorten komen wereldwijd voor, maar voornamelijk in gematigde en koude streken met voorkeur voor vochtige grond. Ze dragen allemaal de naam Carex.

We vinden deze avond de volgende leden van deze familie.

Pluimzegge (Carex paniculata)

Scherpe zegge (Carex acuta)

Zeegroene zegge (Carex flacca)!

Tweerijige zegge (Carex disticha)

Valse voszegge (Carex otrubae)

Zilte zegge (Carex distans)

Verder noteren we ‘gewone’ planten, zoals Smeerwortel, Fluitekruid, Valeriaan, Speerdistel, Zilverschoon, Vijfvingerkruid, Rode klaver, Smalle weegbree, Scherpe boterbloem en Heermoes. We oefenen weer even: bij heermoes is het eerste lid van de zijtak langer dan de schede, bij Lidrus andersom.

rode klaver, scherpe boterbloem

Margriet, Hoornbloem (5 stijlen), muur (3 stijlen), Penningkruid, Harig wilgenroosje, Kluwen hoornbloem, Grote wederik, Veldzuring, Krulzuring, Kleefkruid (grmbl), Vogelwikke, Duizendblad, Witte klaver, Veldlathyrus, Morgenster, Knoopkruid, Vroegeling, Hopklaver, Brunel, Veenwortel.

Een aantal soorten is vernoemd: Paardenbloem, Kraailook, Leeuwentand, Biggenkruid, Berenklauw, Slipbladige ooievaarsbek (Geranium dissectrum), Hondsdraf. Het spreekt tot de verbeelding. Gelukkig komen we niet alle naamgevers tegen op dit eiland.

052

In de sloot(wal): Tenger fonteinkruid, Waterzuring, Kleine watereppe, Waterkruiskruid, Waterkers, Veel wortelig kroos (onderzijde rood), Waterbies, Gekroesd fonteinkruid. Bijzondere soorten Grote watereppe!, Stijve waterranonkel!

Om beter te kunnen determineren laat Rutger zich hiervoor zelfs de sloot in glijden! Gelukkig blijken de laarzen hoog genoeg.

Rutger in de sloot 2

In het struweel langs de sloot: Hop, Spaanse aak, Meidoorn, Hondsroos, Witte abeel, Berk.

Net voor het donker wordt verlaten we het eiland en vertrekken richting Kampen. Het was weer een mooie avond!

Tekst en foto’s: Heleen Strikkers

fluitenkruid

 

Plantenwerkgroep, plantenexcursie Scherenwelle 27 april 2016

Scherenwelle 2016-05, foto Gonny Sleurink

In de stad Kampen is het een drukte van belang: Koningsdag. De rust in de uiterwaarden van de IJssel bij Wilsum valt extra op.

We gaan met ’n klein groepje van 7 man/vrouw een rondje wandelen door natuurgebied Scherenwelle en met name de bijzondere Kievitsbloemen vereren met ’n bezoek.

De wandeling start bij een van de oude rivierarmen van de IJssel. In het kader van het project “Ruimte voor de rivier” zal de buitenste geul in de zomer weer in verbinding worden gebracht met de IJssel. Altijd weer spannend wat deze verandering aan nieuwe natuurwaarde zal brengen.

We kuieren over het zandpad van karresporen (voor de sfeer) , begeleidt door veel variatie in vogelgeluiden van o.a. Snor, Grauwe gans, Fitis en Winterkoning. De Kwartelkoning horen we helaas niet op deze Koningsdag.

Om ons heen is alles frisgroen met decoratieve elementen, zoals een prachtige dot Dotterbloemen langs de slootkant, een mooie oude meetlat van Waterschap IJsseldelta in blauw emaille, oude stoere knotwilg en een opvallende groep witte Kievitsbloemen tussen al de paarse.

In het weiland staat Vossenstaart, Pinksterbloem en Kievitsbloem liefdevol bij elkaar. Maar schijn bedriegt. De Kievitsbloem is een zeer gevoelige plant. Mocht het waterpeil dalen en de grond meer opwarmen, dan wordt het gras opdringerig dominant, ten koste van de Kievitsbloem. Het is afwachten of het uitdiepen van het zomerbed van de IJssel nog gevolgen heeft voor de Kievitsbloem.

We blijven keurig op het pad, zoals beloofd aan Staatsbosbeheer. Bij het groepje witte Kievitsbloemen ligt het gras plat. Iemand heeft de verleiding dus niet kunnen weerstaan om in buikligging foto’s te maken. Het is ook zo’n prachtige en aparte bloem. We bewonderen op gepaste afstand.

Bij de oever van de IJssel leidt een klein paadje naar een grote zitsteen, waar je met – je voeten in het water – kunt wegdromen en genieten van het voorbij stromende water. Leuk idee van Staatsbosbeheer.

Scherenwelle 2016 3, foto Gony Sleurink

We lopen, evenwijdig aan de rivier, richting Wilsum met rechts van ons veel, zowel vrouwelijke als mannelijke, wilgen. De wilgen zijn 2-huizig, dus niet gezellig met zijn tweetjes aan ’n boom. Vandaar de namen Bittere Wilg, Grauwe Wilg en Treurwilg ?

Als eerste een Kraakwilg (twijgen breken makkelijk af), waarop bijen druk in de weer zijn met het verzamelen van nectar en stuifmeel. Aebe kan ons vertellen dat het stuifmeel voedsel voor de bijenkoningin is. Verderop een Amandelwilg en Bittere wilg, waarvan de katjes een beetje paarsachtig van kleur zijn. De katjes van de meeste andere wilgen zijn wit, geel of groen. Ook is de onderkant van het blad van de Bittere Wilg blauwgroenig.

Reeds omstreeks 2000 voor Christus gebruikten de Assyriërs wilgenbladeren voor de behandeling van pijnlijke gewrichten. Geschriften van rond 1550 voor Christus tonen aan dat ook de oude Egyptenaren een brouwsel van wilgenbladeren gebruikten tegen pijn en ontstekingen.  Dit brouwsel heeft echter een gering pijnstillend effect, smaakt bijzonder bitter en ligt slecht op de maag. De werkzame stof in het extract is salicine. Dit is de start van de ontdekking van acetylsalicylzuur, beter bekend onder de merknaam Aspirine. (bron Wikipedia) Tegen verkoudheid en koorts wordt er nog wel thee gemaakt van wilgenbast.

Een ijsvogel flitst voorbij en horen wij daar nu een nachtegaal zingen? Of houdt een imitator ons voor de gek. Je wordt door de natuur wel vaker voor de gek gehouden. De weersvoorspellingen waren zeer slecht, maar de winterjas kan uit. Wat een prachtige warme lentedag.

Aan de rand van het wilgenbosje vinden we Rivierkruiskruid. Een plant die niet vaak voorkomt, maar als die er staat is het met vele. We missen dit keer de Kleine pimpernel, die voorgaande jaren groeide op een kleine zandrug in het grasland. Is ze vertrokken of kijken we niet goed?

We lopen door naar het strandje aan de IJssel. Daar vinden we algemeen voorkomende soorten als  Kluwenhoornbloem/Paardenbloem/Veldkers/Gewone hoornbloem /Herderstasje/Fluitenkruid/ Madelief/Smalle weegbree en Gewone steenraket. De laatste heeft geen ideaal plekje uitgekozen op deze zanderige grond, maar ja, het blijven wilde planten, die doen waar ze zin in hebben. Door het koude weer is ze erg klein gebleven. We geven haar even de volle aandacht, wellicht helpt het.

Scherenwelle 2016-01, foto Gonny Sleurink

(Later in het dorp vinden we een Zandraket op een stenen ondergrond (woningruil zou ik zeggen)

Bij het oude voetveer heeft men een prachtige klokkenstoel geplaatst. Aebe belt om het nieuwe plantenseizoen in te luiden. De voorbij zwemmende Fuut duikt meteen onder water.

In en bij de sloot richting dorp ontwaren we nog Gekroesd- en Tenger Fonteinkruid, Veenwortel, (welke drijvend op het water bloeit, maar staand op het land niet in bloei komt.) Oeverzegge, Waterkers en Paarse Dovenetel.

In het dorp staan we nog even stil bij een versteende tuin. Een teer en dapper plantje, de Vroegeling, staat er in bloei. Meer ruimte voor andere planten is er ook niet tussen al die stenen. Vooral in deze landelijke omgeving is het  jammer dat men kiest voor zoveel steen in de “tuin”.

In een stad is het zelfs af te raden om je hele tuin vol te leggen met tegels. Operatie Steenbreek Informeert inwoners over het belang van een groene in plaats van versteende tuin. Meer lezen : www.operatiesteenbreek.nl.

De wandeling is bijna ten einde . Wij genieten van het uitzicht, al wandelend over de dijk terug naar auto en fiets.

Niels wederom bedankt voor alle informatie en medewandelaars voor het aangename gezelschap. Tot een volgende excursie….!!

Tekst: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Gonny Sleurink

 

 

 

 

Plantenwerkgroep, excursie naar Fochteloërveen 19-9-2015

collageBitter en Zoet


Bitter was de regen toen we vertrokken,

zoet de zon toen we aankwamen.

Bitter waren de muggen,

zoet de bramencake.

Bitter het leven voor de (Noorse) gevangenen, opgesloten in Veenhuizen in de in bedrijf zijnde gevangenissen,

zoet het cultureel erfgoed van Veenhuizen dat zo mooi gerestaureerd is.

Bitter het enige wandelpad in het Fochteloërveen, dat zo zompig was, dat het water zelfs met laarzen aan, nog te hoog kwam,

zoet het prachtige uitzicht bij ondergaande zon vanuit de uitzichttoren.


We vertrokken dus op zaterdag de 19e in de stromende regen vanuit Kampen, maar naarmate we noordelijker kwamen werd het steeds lichter en toen we aankwamen in Veenhuizen scheen de zon! Daar deden we ons eerst te goed aan koffie met bramencake  bij Hotel Restaurant Bitter en Zoet. Fochteloërveen 2015-09-19 001Veenhuizen vormde oorspronkelijk een veen-ontginningsdorp dat reeds wordt genoemd in 1381 als Veenhuysen. In 1823 veranderde het aanzien van het dorp volledig toen er drie grote gestichten voor bedelaars, landlopers en wezen werden gebouwd. De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen door middel van arbeid op het land en in de venen ontwikkelen. Veenhuizen is dus gebouwd met stichtelijke bedoelingen. De namen van de gebouwen getuigen hier nu nog van, zoals Bitter en Zoet.

Fochteloërveen 2015-09-19 010 vele wegenNa de koffie parkeerden we de auto aan de noordkant van het Fochteloërveen bij een kantoor van Staatsbosbeheer. Aan deze noordkant is een bosstrook met rabattenbos (smalle stroken bos, gescheiden door greppels): het Bankenbosch. De eerste verrassing was dat dit een uitstekend varenbos is, waarvoor SBB een informatiepaneel heeft geplaatst met de belangrijkste varens die er te vinden zijn. We zagen ze niet allemaal, maar wel bijna, met als toppers Smalle beukvaren, Koningsvaren en Dubbelloof.

Fochteloërveen 2015-09-19 012 Fochteloërveen 2015-09-19 016 Brede stekelvaren Fochteloërveen 2015-09-19 018 Wijfjesvaren Fochteloërveen 2015-09-19 022Fochteloërveen 2015-09-19 041 Dubbelloof Fochteloërveen 2015-09-19 062 , mannetjesvaren

Ook boeiend aan dit bos, zijn de vele verschillende soorten naaldbomen, zoals de Reuzenzilverspar, Hemlockspar en Sitkaspar.

We hadden al heel wat gezien voor we aankwamen bij het Fochteloërveen. De lunch kostte ons niet veel tijd, want de muggen aten (van ons) mee, en in beweging heb je er net iets minder last van.

In de woorden van Ellen: ‘Ook hebben we die dag bijzonder veel deelnemers aan de excursie gehad. Ze waren echter de hele tijd  nadrukkelijk aanwezig  en maakte constant prikkende opmerkingen. Steeds de neiging om ze van me af te slaan. De volgende excursie gaan we ze weigeren.’

Fochteloërveen 2015-09-19 066 Fochteloërveen 2015-09-19 070 Fochteloërveen 2015-09-19 076, observatieplateau Fochteloërveen 2015-09-19 084Fochteloërveen 2015-09-19 092 Fochteloërveen 2015-09-19 095

Het Fochteloërveen is een van de weinige hoogveengebieden in Nederland, in beheer bij Natuurmonumenten. In Europees perspectief zijn de laagvenen zeldzamer, maar binnen Nederland is dat dus precies andersom.

Het is een uitgestrekt gebied op de grens van Friesland en Drenthe. Aan de west- en zuidzijde is het gebied de laatste jaren flink uitgebreid, waardoor het water nu minder uit het gebied kan wegstromen dan voorheen. Door de verhoogde waterstand kan het veen er weer beter groeien. Nu zijn de compartimenten met dijkjes en sluisjes voor het regelen van die waterstand nog goed te zien. Op den duur moet dat allemaal aan elkaar gaan groeien.

Wat ik een beetje jammer vind aan de toegankelijkheid van het gebied is dat er maar 1 fietspad dwars door heen loopt, met een klein zijpaadje voor wandelaars naar een soort vlot, en een wat langer zijpad, wat dus te zompig was voor ons, om helemaal uit te lopen. Fietsers en voetgangers zijn tot elkaar veroordeeld, wat meestal goed gaat, op één slecht gehumeurde fietser na. Hoewel: misschien had hij zich goed ingeleefd in de legenden van de streek gezien zijn opmerking: ‘kun je niet aan de kant gaan, trol’.Fochteloërveen 2015-09-19 089 Tijgerspin buikzijde

Het gesprek kwam natuurlijk ook op biodiversiteit. Zowel het eerdere bos, als dit hoogveen zijn arme gebieden, uit oogpunt van soortenrijkdom, maar rijk uit oogpunt van enkele elders in Nederland weinig voorkomende soorten.  Een grote biodiversiteit is dus niet zomaar een pluspunt. Veel heide dus (vooral Struikheide en Dopheide), bijbehorende bessen (Veenbes, maar ook  Cranberry en Trosbosbes die prachtig aan het verkleuren was). Veenpluis, ook mooi  aan het verkleuren, en Eénarig wollegras. En de meer bijzondere waarnemingen: langs één van de poeltjes Witte snavelbies, Rossig fonteinkruid in een sloot en langs het fietspad, Scherpe fijnstraal.

Mooi waren ook de tijgerspinnen die hun herfstwebben tussen de heide aan het weven waren.

Fochteloërveen 2015-09-19 098 Rodekool zwam Fochteloërveen 2015-09-19 108 Fochteloërveen 2015-09-19 110 onderwerp komt dichtbij Fochteloërveen 2015-09-19 111 Fochteloërveen 2015-09-19 119 - kopie Fochteloërveen 2015-09-19 124

We besloten dat het te ver was om het veen helemaal te doorkruisen naar de uitzichttoren, dus reden we met de auto om en dan merk je pas hoe groot dit natuurgebied inmiddels is. Vanaf de andere kant weer een kleine boswandeling tot die mooi vormgegeven toren, vanwaar we een prachtig uitzicht hadden in het avondlicht. Helaas zonder kraanvogels of slangenarend.

Inmiddels was het al tegen achten, zodat het even zoeken was naar een restaurant met een keuken die nog open was. Dat vonden we bij Dieverbrug waar we deze afsluiting van het seizoen van de plantenwerkgroep vierden met een voor-elk-wat-wils wok-maaltijd.

We gaan het programma voor volgend jaar nog samenstellen, maar ik kan me er nu alweer op verheugen!

Fochteloërveen 2015-09-19 026 Haarmos Fochteloërveen 2015-09-19 034 Hennepnetel Fochteloërveen 2015-09-19 050 Heksenkruid Fochteloërveen 2015-09-19 054 Rankende helmbloem

En de statistieken: ondanks de beperkte biodiversiteit kwamen we op 197 verschillende soorten verspreid over  6 telhokken.

Tekst: Toos Lodder

Foto’s: Heleen Strikkers

Klik op een foto om deze te vergroten en linksboven op pijl terug om terug te gaan naar de tekst.

Plantenwerkgroep, excursie Regge 22-08-2015

Regge collage Gonny

Om half 10 vertrekken we uit Kampen op zoek naar een leuke plek voor ons traditionele koffie momentje. Op het terras bij hotel MooiRivier in Dalfsen genieten wij even later, samen met vrijpostige wespen, van ons gebakje en het fraaie plekje langs de Vecht.

Na deze goede start vertrekt het gezelschap naar natuurgebied De Velderberg, Hier meandert De Regge, de grootste zijrivier van de Overijsselse Vecht , weer door de graslanden. Langs de Regge is de laatste jaren veel veranderd. Op veel plaatsen direct langs de rivier is grond aangekocht door Natuurmonumenten en Landschap Overijssel voor het Reggeherstelproject.

In de vorige eeuw is ten behoeve van de scheepvaart de Regge vergroot en gekanaliseerd, Het water werd hierdoor sneller afgevoerd, zodat de omgeving ook ‘s winters droog bleef. Inzichten met betrekking tot waterbeheer zijn inmiddels veranderd. Tegenwoordig willen we regenwater zoveel mogelijk vasthouden op de plek waar het valt. Zo kunnen we overstromingen verderop voorkomen en verdroging in de zomer tegengaan. Het Reggeherstelproject houdt o.a. in dat oude Reggearmen worden uitgegraven en aangesloten op de hoofdstroom. Het zand dat vrijkomt bij het uitgraven wordt tijdelijk opgeslagen. Dit zand zal later worden gebruikt om de gekanaliseerde loop af te dammen, zodat de oude meanders weer de loop van de rivier bepalen. De delen tussen de dammen zullen langzaam vol groeien en een moerasachtig karakter krijgen. (bron: Informatiebord Landschap Overijssel)

Regge, 2015-08-22 002 Regge, follow the leader 2015-08-22 023 Regge, het water 2015-08-22 007Regge Hemelsleutel, 2015-08-22 016 Regge, Kartuizeranjer 2015-08-22 012 Regge, sprinkhaan 2015-08-22 022

De Velderberg is een prachtig  afwisselend gebied geworden. We wandelen een rondje door het gebied. Langs een maïsveld richting de rivier, waar we o.a. glanshaver, jacobs- en duinkruiskruid, gele waterkers, egelskop, gele plomp, kattenstaart, vlasbekje, wolfspoot, moerasandoorn, amandelwilg tegenkomen en een prachtige weidebeekjuffer die ook hoort bij dit soort omstandigheden. Op een hoger en droger stukje staat zandblauwtje, zandzegge, hazenpootje, klein vogelpootje, zandteunisbloem, grasmuur, hemelsleutel en waarschijnlijk een kartuizeranjer. Dat zou heel mooi zijn, want dit is een rode lijst soort. (06-10-2015 wordt de waarneming goedgekeurd).

Over een bruggetje over een overloop. Een berging voor hoog water. De natuurlijke dynamiek van het water is hier heel mooi te zien in de bochten van de rivier, waar het water de buitenbochten uitschuurt en in de binnenbochten grond afzet.

In een stukje land dat duidelijk regelmatig onder water loopt vinden we ruige zegge, moeraswalstro, kruipende boterbloem, kleine watereppe, waterpeper, grasklokje, tengere rus, maar ook vliegen er blauwtjes, heidelibellen en horen we krekels. Een vis springt even op uit het water, verderop lacht een groene specht. Zo moet het hier vroeger ook zijn geweest.

Tijd voor een lunchpauze, gezellig zittend op het gras en discussiërend over de juiste opvang van regenwater in rechte bouwmarkt emmers . Tsja, wat zullen we daar nu van zeggen.

Regge, 2015-08-22 034 Regge, 2015-08-22 036 Regge, 2015-08-22 054Regge het water, 2015-08-22 027 Regge, zandoogje 2015-08-22 052 Regge, 't Einde 2015-08-22 048

Het gebied is erg afwisselend. Lopend langs een donker bos, waar nauwelijks iets op de bodem groeit, kom je wat lager in een prachtig drassig gebied met fraaie plassen. Water peper, watergentiaan, waterpest, klein kruiskruid, moerasrolklaver……..Het is behoorlijk warm en daarom heerlijk om vervolgens in de schaduw te kunnen lopen van een voedselrijk loofbos met salomonszegel vol donkere bessen, zoete kers, aalbes, bos aardbei, smalle en brede stekelvaren, adelaarsvaren en mooie roze winterpostelein. Aan het eind van het bospad een prachtige boerderij, met recht ‘t Einde genoemd. Er staat doornloze braam, maar pas op, er zitten wel venijnige stekels aan.

We lopen het bos uit en langs weidegebied met geklepelde berm (soorten arm)  Wel staat er een stoere Gelderse roos vol prachtig oranjerode bessen. Bij de appelboom rechtsaf. Langs mooi akkertje (enk) met o.a. valse kamille (z), weer richting parkeerplaats.

Op naar natuurgebied De Tatums, Geen idee waar de naam vandaan komt, maar de betekenis van Tatum  “brenger van vreugde” past helemaal bij dit gebied. Er is hier een fraaie houten brug gebouwd, waar een groepje jongens met veel plezier en bravoure vanaf springen in het verkoelende water. En wij genieten van een dras stukje oever met driedelig tandzaad, zwart tandzaad, fascinerende faciatie (vergroeiing) bij riet, knikkend tandzaad en een mooi gekleurde tijgerspin en een leuke vondst: inheemse guldenroede (helaas uitgebloeid).

Regge bord De Tatums, 2015-08-22 064 Regge, inheemse guldenroede 2015-08-22 087 Regge, 2015-08-22 084tijgerspinn foto Gonny Regge, Gonny en Ellen in actie 2015-08-22 083 Regge koningsvaren, 2015-08-22 104

Niels is eerder in dit gebied geweest en weet dat hier ergens de moeraswolfsklauw en grote wolfsklauw te vinden is. In een klein open stukje in het bos, bedekt met een zacht verend tapijt van mossen, varentjes en kleine struikjes dopheide vindt Niels als eerste enkele plantjes moeraswolfsklauw. Na veel zoeken vinden we 3 plantjes grote wolfsklauw. Rode lijstsoort: zeldzaam. Dik tevreden lopen we terug richting het pad en dan staan we met veel oh ’s en ah ’s voor een groot veld met grote wolfsklauw in bloei. Wat ongelooflijk mooi.

Maar Niels zou Niels niet zijn, als hij het mooiste niet bewaard voor het laatst. Aan de rand van het veld vinden we ineens ook kleine wolfsklauw. Heel verrassend van vorm. Het lijken net mini cipressen. Deze plant is zeer zeldzaam, er zijn maar 10 groeiplaatsen in Nederland. Rode lijst: ernstig bedreigd !

 

Regge, 2015-08-22 111 Regge grote wolfsklauw met uitlopers, 2015-08-22 108 Regge Kleine Wolfsklauw, 2015-08-22 112 Regge, 2015-08-22 093 Regge Jasione en vleugeltjesbloem, 2015-08-22 092 Regge moeraswolfskleuw, 2015-08-22 102

Terug op het pad lopen we nog even naar de oever van de Regge voor de cyperzegge, Op het pad viltkruid (ook rode lijst soort) moerasdroogbloem. Weer over de prachtige houten brug. Nog even snel een blik werpen op de waterpartij aan de rechterkant: watergentiaan en krabbenscheer. Een bijna lichtgevende gele bloem trekt de aandacht: de waterteunisbloem. De eerste keer dat Niels deze in Nederland ziet en dat wil heel wat zeggen.

Regge Waterteunisbloem, 2015-08-22 114 Regge hekwerk, 2015-08-22 120

Voldaan lopen we richting auto en vinden een gezellig eethuis, waar we in de tuin genieten van een pannenkoek. Het was weer een leuke dag in een schitterend gebied met aangenaam gezelschap. In het totaal hebben we 238 soorten gezien, waaronder heel bijzondere.

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

Regge koffie, 2015-08-22 016

 

Plantenwerkgroep, excursie naar Ramspol 19 augustus 2015

collage

 

Ramspol is het punt waar Kampereiland en Noordoostpolder elkaar bijna raken. Voor de inpoldering was Ramspol een onbedijkt eilandje in de Zuiderzee ter grootte van 5.83 ha voor de Overijsselse kust ter hoogte van Kampen.

Het eilandje was genoemd naar Everhard Ram (1614-1681), burgemeester van Kampen en van 1677 tot zijn overlijden in 1681 gedeputeerde van Overijssel naar de Staten Generaal. Ramspol werd verhuurd aan een pachter van een van de pachterven op het Kampereiland. In 1852 werd dit eilandje door de aanleg van een krib van 800 meter lengte verbonden met het Kampereiland. De oprit naar de Ramspolbrug in de weg van IJsselmuiden naar Ens, de N 765, loopt over die vroegere krib.

Na het aanleggen van de dijk van de Noordoostpolder en het droogmalen van die polder werd er in 1941 een werkkamp met de naam Ramspol aangelegd aan de kant van de Noordoostpolder aan de dijk. Hier werden arbeiders gehuisvest die werkten aan het in cultuur brengen van de net drooggevallen polder. Aanvankelijk vond de verbinding met het Kampereiland plaats met een baileybrug over de Ramsgeul en een pont over het Ramsdiep, maar na 1952 lag er een brug.

Naast de brug in de rijksweg ligt de balgstuw. Komend vanuit de Noordoostpolder is het perceel grasland op het Kampereiland direct rechts na de brug en de balgstuw een deel van de vroegere Ramspol. Het gehucht in de Noordoostpolder direct naast de brug met slechts enkele woningen en boerderijen wordt samen met brug en balgstuw tegenwoordig Ramspol genoemd.


De avond is mooi, het water blak.

het water is blak

 

Na wat omzwervingen bereiken alle deelnemers, een enkeling komt van heinde of ver, uiteindelijk het startpunt van de excursie, de Balgweg, ten westen van de Ramspolbrug. We mogen deze avond 2 nieuwe deelnemers begroeten en enthousiast gaan we op stap op zoek naar bijzonderheden.

De dijk wordt  afgeschuimd: geel walstro, glad walstro en duifkruid? Nee: geen duifkruid, Scabiosa columbaria, zoals de ook tuinliefhebbers in de groep denken, maar beemdkroon, Knautia arvensis. De planten lijken in eerste instantie wel op elkaar maar het verschil zit in het blad en de bloembodem.

Wij zien het verschil en proberen het in onze oren te knopen. Het Knoopkruid (Centaurea jacea), dat verderop op de dijk groeit, werkt hieraan echter niet mee maar vergroot wel het puzzelplezier.

Enkele kenmerken:

Knautia arvensis, beemdkroon

Knautia arvensis, beemdkroon

Beemdkroon, Knautia is een vaste plant. De plant wordt 15-60 cm lang en heeft grijsgroene bladeren. De onderste bladeren heel en de bovenste veerspletig. Beemdkroon heeft een vertakte wortelstok (rizoom) en soms ook uitlopers. De stengel is door zeer korte haren grijs en door de langere haren stijf behaard. Beemdkroon bloeit met lila bloemen vanaf juni tot de herfst. Ook komen soms witte of gele bloemen voor.

 

Scabiosa_columbaria, duifkruid

Scabiosa_columbaria, duifkruid

Duifkruid, Scabiosa wordt 30-90 cm hoog. De onderste bladeren zijn liervormig tot lierdelig en hebben een grote eironde eindlob. De verdere bladeren zijn fijner gedeeld en een- of twee maal veerspletig. Duifkruid bloeit van juli tot september met roodachtig lila, soms wittebloemen, die in een 1,5-3,5 cm breed hoofdje zijn gerangschikt. De zoom van het vliezige, bijzonder omwindsel (omwindsel van schutbladeren) staat breed uit. Op de bloembodem staan stroschubben. De vrucht is een nootje.

Vroeger werd er geen verschil gemaakt tussen beide soorten.

Knoopkruid, Centaurea jacea

Knoopkruid, Centaurea jacea

Knoopkruid, Centaurea. De overblijvende plant wordt 30-70 cm hoog. De bovenste bladeren zijn ongedeeld en staan afwisselend langs de stengel. De onderste bladeren zijn meestal bochtig tot veerspletig. De bloemhoofdjes zijn 2-4 cm breed. Ze bestaan uit roze tot roodpaarse buisbloemen. De randbloemen hiervan zijn vergroot en steriel. Door het vergroten en het opzij staan lijken ze op lintbloemen. De omwindselbladen in de bovenste helft hebben een afgescheiden, gestekeld aanhangsel. De bloeiperiode loopt van juni tot in de herfst.

We vervolgen onze weg en vinden onder andere goudhaver, akkerdistel, muskuskaasjeskruid

muskuskaasjeskruid

muskuskaasjeskruid

(van Jan moeten we even ruiken), wederik, rolklaver, boerenwormkruid (dit werd vroeger in de huizen opgehangen om met de geur ervan vliegen te verdrijven), hopklaver, harig wilgenroosje.

Op het natte gedeelte: mannetjesvaren, moerasandoorn, het onder tuinlieden overgewaardeerde heermoes en zevenblad, smalle weegbree en moerasmelkdistel (niet bepaald moeder’s mooiste.)

Er volgt een stevig debat over een eenzame verschijning tussen de grassen. De plant lijkt sterk op echte marjolein (Origanum majorana), maar het kan ook wilde marjolein zijn (Oreganum vulgare).

De echte marjolein is afkomstig uit het oosten van het Middellandse Zeegebied. Door de oude Grieken werd marjolein samen met peterselie als middel tegen een kater gebruikt. Men vlocht er een krans mee en zette die op het hoofd tijdens de feestmaaltijd.

Er is maar 1 exemplaar dus een krans vlechten zit er niet in en om te voorkomen dat wij een kater overhouden aan deze plant noemen we hem Origanum ‘Ramspoliana’!

Origanum 'Ramspoliana'

Origanum ‘Ramspoliana’

Wij vervolgen onze weg richting de loopsteiger van de balgstuw en noteren nog:, teunisbloem, krulzuring, veenwortel (vlekken op blad), st. Jacobskruiskruid, smalle wikke, luzerne, morgenster, klein hoefblad, moeraskruiskruid, koninginnekruid, engelwortel, wolfspoot, witte en citroengele honingklaver, zeegroene rus, mannagras, valse voszegge, bijvoet, Canadese fijnstraal, dauwbraam, meidoorn en diverse soorten wilg, waaronder schietwilg.

Aan het eind van de avond heeft Niels 92 soorten op de teller staan. En dan is het donker en gaan we naar huis.

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Plantenwerkgroep: excursie Salmorth 5-7-2015

Salmorth Knikkende distel

Knikkende distel

Salmorth Knolribzaad

Knolribzaad

Het was te heet op zaterdag. Daarom gingen we ‘dus’ een dag later op pad. Op naar Salmorth. Dat is een -net- in Duitsland gelegen natuurgebied. Langs de Rijn, die hier nog niet is gesplitst in de Waal en de Rijn, en dus mooi breed is.

Aan de overzijde van de rivier ligt Lobith. Je realiseert je dat wat je altijd op Salmorth koeien Salmorth overzicht school leert, ‘dat de Rijn bij Lobith ons land binnen komt’, eigenlijk niet klopt. Dat doet ie …namelijk al bij Spijk. En aan de overkant van de rivier dus dat Salmorth. Ingesloten door de Rijn en een oude geul, de Griethauser Altrhein. Ooit moet de splitsing tussen Rijn en Waal verder stroomopwaarts gelegen hebben, en deze Altrhein zou een restant van de oer-Waal zijn. Het zal wel. Het enige plaatsje op het eiland, Schenkenschanz, lag toen zéér strategisch. En nu wonen er nog 128 mensen, schijnt het, en wordt het omgeven door een hoge wal die hoogwaterbescherming biedt en staan er diverse huizen leeg. Het kan verkeren.
Het eiland zelf is grotendeels beschermd natuurgebied. Stroomdalgrasland, dat prachtige, bloemrijke grasland op kurkdroog, door de rivier afgezet zand. Met een keur aan bijzondere plantensoorten. Knikkende distels springen in het oog, geoorde zuring, kruisdistels, veldsalie en zo kan je doorgaan. We vonden al met al een kleine 200 soorten, en dan hebben we niet eens heel goed gezocht.
Maar ook langs de Rijn is het er mooi. Een hoog opgaande vegetatie met diverse soorten wilgen, riet en veel knolribzaad bijvoorbeeld. En brandnetels, veel brandnetels. Auw.

Maar wat is het er fraai, met allerlei kleine hoogteverschilletjes, eigenlijk oude, begroeide rivierduintjes. Zeker een bezoek waard!

Tekst en foto’s: Niels Jeurink

 

Plantenwerkgroep: verslag excursie naar het Keteleiland/Industrieterrein Kampen 17-06-2015

Het lag in de planning om ’s avonds met de boten van Anton Sollie en Wim Baer richting het Keteleiland te varen en daar aan land te gaan. De nodige voorbereidingen waren door de heren al getroffen, echter aan het weer valt niets voor te bereiden.  Regen en harde wind werd er voorspeld.

Op het allerlaatste moment is de knoop doorgehakt en is  besloten niet te gaan varen.

Het ging die avond dus een beetje anders dan we van tevoren hadden bedacht, maar het is toch een leuke excursie geworden. En achteraf gezien was het annuleren van de vaartocht heel verstandig, aangezien de excursie zo tegen half tien behoorlijk nat eindigde. Maar toen hadden we wel al een heleboel gezien.

We hebben stukken van het industrieterrein Haatland bekeken. Startend op de Loswal, een lange brede kade langs de IJssel. De aanwezigheid van muurpeper, vogelmuur, gewone zandmuur en liggend vetmuur verbaast ons niet bij al die stenen, maar duinriet lijkt ’n beetje verdwaald.Coolpix 031

Langs de kade ligt de baggerboot die over 2 dagen start met het uitdiepen van het zomerbed van de IJssel. Op de kade zien we een ijverige bij tussen de stenen een gaatje uitdiepen. Bij thuiskomst ontdekt Heleen dat wij een pluimvoetbij hebben gezien. Bijzondere waarneming. Pluimvoetbij 02

We lopen kade afwaarts richting de Werfweg, met links mc Hells Angels (met gewoon langbaardgras) en rechts de Gemeentewerf Kampen.  De Werfweg heeft prachtige bloemrijke bermen vol vogelwikke, rode klaver, zachte ooievaarsbek, margriet, glad walstro, pastinaak, kraailook, smalle wikke, veldlathyrus, veldereprijs en  slibbladige ooievaarsbek. Het is altijd weer verrassend om te zien hoe de natuur perfecte kleurencomposities maakt. We zijn ook erg verguld met de vondst van goudhaver.Coolpix 036 Coolpix 040

Vervolgens rechtsaf de Industrieweg op richting Broshuis. We speuren langs stoepranden, muren en kleine stroken beplanting. Pand 13 ziet er verlaten uit. Het gaf ook deze ondernemer dus weinig geluk. Alhoewel er glanshaver op de oprit groeit, vinden we achter het pand bleekgele droogbloem.

Op een kale parkeerplek ontdekken we in de kleine openingen tussen de stelconplaten donkere vetmuur, perzikkruid, hopklaver en nog meer dappere plantjes. Het terreintje ontlokt aan Rudger de volgende uitspraak : ‘Je mag als natuur toch blij zijn dat je zo’n randje mag vullen en dan nog zoveel variatie aanbrengen!’

Tegen de drang tot voortbestaan is inderdaad geen kruid opgewassen: koninginnenkruid, Jacobs kruiskruid, klein kruiskruid, perzikkruid, muskuskaasjeskruid, kleverig kruiskruid, vijfvingerkruid, echt bitterkruid en bezemkruiskruid, ze kruisen deze avond, op de meest kale plekjes ons pad.

Het bezemkruiskruid is trouwens in de jaren ’60 pas ontdekt in Nederland. Het is een nieuwkomer uit Zuid-Afrika. Volgens Wikipedia is uit het verspreidingspatroon in Nederland wel duidelijk op te maken dat de zaden zich via het spoor verspreid hebben. Waar het Kamper treintje al niet goed voor is.

We vinden ook heelblaadjes (pulicaria dysenterica).  Deze plant, ook wel vlooienkruid genoemd, was de schrik voor vlooien. Vroeger werd de plant gebruikt tegen dysenterie, vandaar de soortaanduiding dysenterica. De plant heelblaadjes werd niet direct gebruikt tegen dysenterie maar tegen het insekt (de kleerluis), die deze ziekte overbrengt.

We lopen richting de IJssel, waar een buitendijks terreintje, dat we als vrij soortenrijk kenden inmiddels blijkt te zijn geasfalteerd 🙁  en voorzien van een stevig hekwerk. Niels oppert het plan om onder het hekwerk door te kruipen, maar gezien de vrije hoogte van 30-40 cm en het feit dat limbo dansen niet ons sterkste punt is, lopen we toch maar door naar Broshuis.  Broshuis, een fabrikant van opleggers, begeeft zich met succes op de internationale markt. Canadese kornoelje, engels raaigras, hongaarse raket, zeegroene rus en spaanse aak voelen zich er wel bij.

Naast en in de keurig gemaaide berm steekt toch nog van alles de kop op : hertshoornweegbree, schapenzuring, madeliefje, rode schijnspurrie, gewone hennepnetel, korrelganzevoet, kleine leeuwentand en stinkende gouwe.

We steken de weg over om bij de sloot langs het KWC terrein te speuren: gewone lelijkste melkdistel, volgens “Helenium”, blaartrekkende boterbloem, kluwenzuring, late guldenroede, hoogbejaard fluitenkruid…. En we turen ook iets hoger dan 10 cm van de grond: gewone esdoorn, gewone flier, es, en zwarte els.

Linksaf de Haatlanderdijk op. Rechts een mooie berm met hopklaver, goudgele honingklaver en liggende klaver, in eerste instantie geen klavertje vier, maar verderop staat nog rode en witte klaver.

Fijne druppeltjes regen gaan over in een stevige bui. Noteren van de plantennamen lukt alleen Niels nog. Als toetje krijgen we nog zwarte bes en oosterse karmozijn bes. Dan besluiten we via de Reigerweg / Industrieweg/Loswalweg weer naar de jachthaven de Riette terug te keren. We hebben in twee kilometerhokken waarnemingen gedaan, namelijk 189/508 (deels bekeken)en 189/509 (helemaal) . Dat leverde al met al 118 soorten en 139 soorten op. Een geslaagde avond !

Anton en Wim bedankt voor jullie aanbod om ons naar het Keteleiland te varen. Het Keteleiland laten we nog even op ons verlanglijstje staan.

 

 

 

Plantenwerkgroep: Excursie Kennemerduinen, zaterdag 6 juni 2015

collage Gonny

Nationaal park Zuid-Kennemerland oftewel de Kennemerduinen is een prachtige duingebied tussen IJmuiden in het noorden en Zandvoort en Haarlem/ Santpoort in het zuiden. Een heel bijzonder landschap met een kilometers breed duingebied. Deze duinen horen tot de van oorsprong kalkrijke duinen, dit gebied is immers mede ontstaan door de invloed van (kalkrijke) afzettingen van de (nu Oude) Rijn. En dat zie je ook in de vegetatie terug. Er zijn duingraslanden en duinheiden, plasjes en de zeereep. In al deze habitats vind je soorten die je buiten de duinen niet (snel) zult vinden. De flora is er gevarieerder dan in de kalkarmere duingebieden.

“Pappa, wat zijn die mensen aan het doen?”

“Klavertjes vier aan het zoeken”.

Het genoemde plantje hebben we niet gevonden maar wel het geluk van een stralende dag. Veel, vaak jonge gezinnen maken van de gelegenheid gebruik om hun vertier te zoeken bij de recreatieplas of in de duinen. Wij zijn rond 10.30 uur bij bezoekerscentrum De Kennemerduinen op traditionele wijze begonnen met ons kopje koffie/thee ‘met’ op het terras van het informatiecentrum waarna wij speurend onze tocht van ca 4 km aanvangen richting zee. De wandeling zal meer uren in beslag nemen en ondertussen genieten we volop van de dingen die wij onderweg tegenkomen.

ws Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 001   ws Heleen, foto Niels werkgroep in actie 2, foto Gonny Sleurink ws Gonny in actie, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 009

Langs het pad richting recreatieplas ‘t Wed staat onder andere zachte dravik, ijle dravik (mooi bij elkaar), veldbeemdgras (kegelvormige bloeiwijze, korte tong), ruw beemdgras (lange tong), schaduwgras, gestreepte witbol, kweek, hennepnetel, brandnetel, look zonder look, witte dovenetel, klimopereprijs, nagelkruid, Geum urbanum, familie van de roos, doornappel, zwaluwtong, hondsdraf, kleefkruid (grmmm), winterpostelein, drienerfmuur, varkensgras wat geen gras is maar een lid van de duizendknoopfamilie, zenegroen, bosaardbei, lelietje van dalen, gewone ereprijs, herderstasje, Jacobs kruiskruid, zandzegge, ruige scheefkelk (hoort bij kalkrijke duinen – rode lijstsoort), robertskruid, geel walstro, vlasbekje, akkerhoornbloem en verschillende soorten ruwbladigen. Bomen en heesters: hondsroos, hop, kruisbes, sneeuwbes, braam, wegedoorn, liguster, gewone vogelkers (Prunus padus), veldesdoorn, zomereik.

We vinden duinpiepers onder een boom: ws Duinpiepers, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 015

Een braamsluiper laat zijn mitrailleur-geluidje horen.

En we doen even een test of we de gevonden ruwbladigen goed hebben onthouden:

ws Ossentong, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 014Ossentong (Anchussa officinalis): paarsblauw, medium ruw blad, lancetvormig

ws Kromhals Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 004Kromhals (Anchusa arvensis): lichtblauw klein bloempje met krom halsje, stevig behaarde lancetvormige bladen.

ws Hondstong, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 005Hondstong (Cynoglossum officinale): roze paars bloempje, breder, minst ruwe blad, met duidelijke nerven

ws Slangenkruid, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 011Slangenkruid (Echium vulgare): langgerekte aar met roze/paarse knoppen en blauwe bloemen met meeldraden en stijl die ver buiten de bloem steekt.

Op Niels na, tuurlijk allemaal gezakt. Het valt niet mee!

ws uitzicht over 't Wed Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 021

Aan de oever van de plas horen en zien we de rugstreeppad. Er groeit koninginnenkruid, klein kruiskruid, reigersbek, een ondersoort van de dravik: de duindravik, Bromus (wat voedsel betekent) thominei, duinviooltje, zandhoornbloem, grauwe wilg, watermunt, kleine leeuwentand, duinrus (met duidelijk voelbare kamertjes in de stengel), wolfspoot, waterpunge, dwergzegge, waterbies, klein hoefblad, zeegroene rus, determinatie kenmerk: ver kruipende wortelstok – het bewijs daarvan graven we toch maar niet op, duinzwenkgras, greppelrus, zachte haver, kleine pimpernel, vleugeltjesbloem, fakkelgras (typische duinsoort, heeft dikke nerven).

We lopen nu tegen de binnenduinen aan: beboste strandwallen waarover www.natuurkennis.nl  het volgende zegt: duinstruwelen van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) huisvesten vaak vele nachtegalen (Luscinia megarhynchos). De ondergroei kent ook karakteristieke soorten zoals duinsalomonszegel (Polygonatum odoratum). Overigens behoren de eeuwenoude meidoorns en wegedoorns (Rhamnus cathartica) die hier en daar in de duinen staan waarschijnlijk tot de oudste organismen in de duinen. Andere typische struikgewassen zijn onder andere duinroos (Rosa pimpinellifolia), kruipwilg (Salix repens) en zuurbes (Berberis vulgaris). Maar ook dauwbraam (Rubus caesius) en wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) kunnen grote struwelen vormen.

De informatie klopt. We zijn alle genoemde soorten tegengekomen en rondom zingen de nachtegalen uit volle borst, waarbij het stemgeluid van Pavarotti verbleekt, maar helaas, we zullen ze geen enkele keer te zien krijgen. Het blijft een obzv-tje (onzichtbaar bekend zangvogeltje.)

Balsempopulier, kruipwilg, brosse melkdistel, wilde asperge en twee grote wijngaardslakken die elkaar voor het liefdesspel náást het pad gevonden hebben. Slimme plek, want een enkel lid van onze werkgroep heeft de reputatie wel eens ergens op te gaan staan waardoor een zo mooi moment  je levenseinde kan betekenen (lees: excursie plantenwerkgroep naar Teutoburgerwald 2014.)

ws Duinviooltje, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 040 ws Wijngaardslakken zorgen voor nageslacht, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 025 ws Duinsalomonszegel Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 006 werkgroep in actie, foto Gonny Sleurink

We strijken neer voor de meegebrachte lunch en genieten volop van de vogelzang rondom en lopen daarna verder richting een bosje van zwarte den. Deze bomen werden in het verleden aangeplant om het duinzand vast te houden. Het donkere groen vormt een mooi contrast met het witte, kalkrijke duinzand dat door natuurlijke verstuiving boven komt, waardoor een grotere diversiteit aan flora en fauna ontstaat. De braam tiert hier welig. Hij hopt met grote sprongen over de bodem waardoor andere planten weggedrukt worden. Bramenstruiken reageren goed op stikstof, onder andere veroorzaakt door de landbouw. Vergeten wikke, valse salie, bevernel, rolklaver, tijm, dolle kervel, heggerank, bezemkruiskruid, knolboterbloem.

Zwarte den Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 032 ws zandverstuiving Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 033 landschap, foto Gonny ws Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 034

Dan komen we in een nieuw gebied: droge duingraslanden met hier en daar een vennetje. In het zuiden zien we een groot kruis: de erebegraafplaats voor de in de oorlog gefusilleerde verzetsstrijders. In het noorden walmen de Hoogovens. Vliegtuigen draaien hun cirkel om te kunnen landen op Schiphol en hier …, hier is het ene oase van rust, bevestigd door een enkele passerende fietser.

Duinreigersbek, duinviooltje, ruig viooltje, kruipend stalkruid. Hertshoornweegbree, rode klaver, ruw walstro, geelhartje, parnassia, driedistel. De boomleeuwerik, de enige in de soort Lullula, laat zijn liedje horen. Hij kan niet anders! Ook zien we de duinpieper en de witte kwikstaart.

Bij het vennetje: zeegroene zegge, waternavel, zompvergeet-me-nietje, aarvederkruid, fijne waterranonkel, rode waterereprijs, rietorchis, moeraswespenorchis, ogentroost, duizendguldenkruid (nu nog in dubbeltjes formaat), wilde reseda. Veel waterjuffers. Een vogelkijkwand levert weinig bijzondere vogels op maar wel glad parelzaad, grauwe abeel, bos kruiskruid, bezemkruiskruid, en de nerfamarant, een zeldzame soort in de duinen. En last but not least: zeepkruid. Een blauwtje laat zich moeilijk fotograferen.

ws rode waterereprijs Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 035 orchis foto Gonny ws Blauwtje, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 038_cr ws Duinroos, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 023

Tot onze verbazing passeert ons op nog geen 20 meter een vos in een nonchalant drafje: ‘ik ben er niet, ik ben er niet’. Als hij ons gepasseerd is, zet hij het op een rennen wat verderop een haas verschrikt doet opspringen en wegstuiven. ws Vos, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 042

Wat ruist er door het struikgewas? Nog meer gedierte: een Schotse hooglander! Hmmm, toch maar even een ommetje maken.

 

In een nattige vallei: pinksterbloem, scherpe zegge,  waterweegbree, duivenkervel, bereklauw, drienervige zegge (zeldzaam buiten de duinen.) Misschien om te voorkomen dat hij zich ook elders vestigt gaat Niels er bovenop staan. Bitterling, strandduizendguldenkruid, akkermelkdistel, muurpeper, bilzekruid ( zeldzaam in de duinen)ws bilzekruid, foto Gonny Sleurink langbaardgras, zandkool.

En daar iestiedan! De zee. Wat een feest: zomaar op een losse zaterdagmiddag in het zonnetje proosten op een mooie dag in strandpaviljoen Parnassia!

En dan moeten we nog terug. Het is al half vijf. Met moeite nemen we afscheid van de zee en begeven onze inmiddels toch wel vermoeide voeten richting het oosten. Onderweg komen we nog langs voorjaarsganzerik, morgenster, walstro, bremraapws walstrobremraap, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 054, akelei, zwarte els, liggende klaver, ratelaar en, en ….

ws Hazelworm, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 051

 

Hé: een hazelworm! Het bewuste dier ziet ineens 5 paar voeten om zich heen en blijft van de weeromstuit liggen op het pad. We kunnen hem mooi bekijken. Wat leuk!!

Verderop nemen we een sprong over een kolonie mieren op pad. Niet te lang blijven staan. Ik voel jeuk tot in m’n nek.

Geestelijk voldaan, maar de maag wil ook wat: we eten nog een hapje op een klein stationnetje in Overveen en keren huiswaarts waar Gonny om 22.45 uur de auto stilzet op het Meeuwenplein (om nog even in de sfeer van de dag te blijven.)

Tekst: Heleen Strikkers met dank aan Ellen van Knippenberg voor de opsomming van de soorten.

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Nabericht van Niels:

De waarnemingen van onze meer-dan-geslaagde excursie naar de Kennemerduinen staan op de site www.telmee.nl.. Al met al zagen we gisteren 226 verschillende soorten, een mooi resultaat!

Bijgaand een verspreidingskaartje van de hazelworm. Een leuke vondst is dat met andere woorden. De soort is wel uit die contreien bekend maar het gaat toch om een redelijk geïsoleerde populatie zo te zien. kaartje verspreidingsgebied Hazelworm

En ook bilzekruid is een zeldzaamheid, al komt die her en der in de duinen en het rivierengebied voor: http://www.verspreidingsatlas.nl/0642. Datzelfde geldt voor de nerfamarant, die bij de vogelkijkwand groeide: http://www.verspreidingsatlas.nl/1758. En voor de ruige scheefkelk helemaal: http://www.verspreidingsatlas.nl/0082. Buiten de duinen, Zuid-Limburg en enkele plekken in het rivierengebied vind je die haast niet. Leuke vondsten allemaal.

Lees meer: https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebied/nationaal-park-zuid-kennemerland/over-dit-gebied

Plantenwerkgroep, excursie naar De Zande 27 mei 2015

Kaartje De Zande

Met een kleine groep van 6 personen vertrekken we richting De Zande, buurtschap op Kamperveen, liggend aan De Hank, een zijtak van de IJssel. Het weer is ons gunstig gezind. We parkeren in de Hoofdstraat, waarna het gezelschap wordt uitgebreid met Jan op de fiets. We starten meteen met het inventariseren van alle wilde planten in het smalle stukje berm voor de woningen. Daar vinden we veel algemeen voorkomende soorten, zoals kleine weegbree, akkerkers, zandraket, speerdistel, scherpe en kruipende boterbloem, vogelmuur, paarse dovenetel en …. teveel om op te noemen.

Na  50 meter en zeker drie kwartier verder, hebben we slechts het stukje berm voor de prachtige boerderij nr. 43 en de berm bij de overburen geïnventariseerd en tellen we al meer dan 45 soorten. Onvoorstelbaar. Van de bijna vertrekkende vroegeling tot het amper gearriveerde duizendblad.

De bermen, waar we even later langs lopen worden duidelijk geklepeld. Dit houdt in, dat het maaisel blijft liggen. Hierdoor ontstaat stikstofrijke grond waar soorten als brandnetel, fluitenkruid en zuring de overhand krijgen. Maait men en haalt men het maaisel weg, dan wordt de grond armer en de flora veel gevarieerder. En meer variatie in de flora zorgt ook voor meer variatie in de fauna.

Nu moet ik eerlijk zeggen, dat ik van een berm met bloeiend fluitenkruid altijd helemaal blij word. Na dit verhaal van Niels bekijk ik het toch met andere ogen. Alhoewel het fluitenkruid er ook niets aan kan doen. Het fluitenkruid dankt zijn naam aan het feit dat van de stengel fluitjes gemaakt kunnen worden. Om een fluit te maken moet bij een holle fluitenkruidpijp, met onderaan een dichte knoop, ongeveer halverwege een snee overlangs gemaakt worden. Oefenmateriaal genoeg.

De plant werd door Jac. P. Thijsse ook wel ‘Hollands kant’ genoemd. Een passende naam voor deze plant met prachtige bloemschermen.

We passeren het Jachthuis met bordje “Rust Nu”.  Kopje koffie ?? Helaas is het gesloten. We drentelen verder langs de brosse melkdistel, uitstaande melde, kleine brandnetel. Langs een oprit waar de roze winterpostelein volop in bloei staat. We mijmeren nog even bij een “stevige” boerderij, die te koop staat.

Gedurende de hele wandeling legt Niels ons met veel geduld de verschillen uit tussen de diverse grassoorten. De grassenfamilie omvat 8000 soorten, waarvan er ca. 140 in Nederland te vinden zijn. Deze avond zullen we er zeker 20 tegen komen en de determinatie ervan betekent goed kijken naar haren, tongetjes, vliesjes en kaf naalden. De grassen hebben zwierige namen zoals: glanshaver (gewone-), zachte en ijle dravik, fioringras, rood zwenkgras en grote vossenstaart. Kropaar valt een beetje uit de toon.

De Zande blijkt een soort De Wijk voor de ooievaarsbekfamilie, we vinden er kleine ooievaarsbek, rondbladige ooievaarsbek, zachte ooievaarsbek, bermooievaarsbek, bloedooievaarsbek en slipbladige ooievaarsbek. Geen kikkerbeet te bekennen.

We pikken nog wel een slootkant mee met o.a. gele lis, grote egelskop, grote lisdodde, blaartrekkende boterbloem, klein kroos en veelwortelig kroos.

Bij de laatste boerderij aan de linkerkant van de weg groeit een forse roomse kervel, welke heerlijk naar anijs ruikt. In een kleine boomspiegel verderop vinden we nog winterpostelein, zwaluwtong en vijfvingerkruid.

Dan  lopen we tegen de provinciale weg 763 aan. Hier ligt een bergje zand, waarop weer allerlei leuke soorten te vinden zijn.: vlasbekje, veldsla, knoopkruid, gladwalstro, dagkoekoeksbloem, herfstleeuwentand. Ook het boerenwormkruid is present. Aebe kan ons vertellen dat de bladen hiervan gedroogd en gerookt kunnen worden. Je wordt er lekker rustig van. De bijen in ieder geval en het ruikt ook nog lekker.

We slaan linksaf richting de N50. Aan de linkerkant een piepklein bosje, waar we waarschijnlijk al honderden keren voorbij zijn gereden en dat we nu pas goed bekijken. Grauwe wilgen afgewisseld met gewone esdoorn en prachtig bloeiende meidoornstruiken. Hop slingert er doorheen en gewone vogelmelk versiert de groene bodem nog eens extra.

Niels gaat op zoek naar het Deens lepelblad. Onder het viaduct van de Hanzelijn ontdekken we deze zoutbestendige plant. Hertshoornweegbree, ook niet bang voor een beetje zout, zijn we al eerder tegengekomen. Het verspreidingskaartje van deze planten geeft perfect het Nederlands wegennet weer.

We slaan linksaf en lopen langs het talud van de N50 : gele morgenster, oeverzegge, ringelwikke…..

En aangezien Gonny en ik voor het donker thuis moeten zijn,  breit Toos een eind aan dit verslag:

Voor Ellen en Gonny: jullie hebben het hoogtepunt van de avond gemist:

Ruw parelzaad tegen het talud van de N50 ter hoogte van het 70km knipperlicht (voor als je nog op herkansing wil). Een ernstig bedreigd eenjarig akkeronkruid van arme zandgronden. Ooit als zaad meegevoerd met het zand waaruit het zandlichaam van de weg is opgebouwd???

Verder zagen we nog na jullie vertrek: klein hoefblad, veld lathyrus, tweerijige zegge, zwanenbloem, pinksterbloem, scherpe zegge, pitrus, teunisbloem (zonder bloem niet te zeggen welke), waterkers, sterrenkroos en langbaardgras. De teller van die avond stond op 178 soorten (!!) Dat lijkt me een record van onze avondexcursies.

bermooievaarsbek, foto Gonny Sleurink Niels legt uit hoe je gras determineert veld met klaprozenroomse kervel, foto Gonny Sleurink

Test: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Gonny Sleurink

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Zalkerbos 19-4-2015

Vroege lentebloeiers in het Zalkerbos

Collage Zalkerbos, Gonny Sleurink

Op 19 april,  een mooie zondagochtend, bezochten we met een club van 8 deelnemers het Zalkerbos als start van het nieuwe seizoen van de plantenwerkgroep. Een mooie tijd van het jaar, met alle voorjaarsbloeiers in het bos. Een bijzondere omgeving: zo’n glooiend uiterwaarden landschap zie je niet op zoveel plaatsen in Nederland;  goed gezelschap en goed weer.

Het Zalkerbos is een oud hardhoutooibos van gemengd Essen-Iepenhakhout en uniek in Nederland door zijn ligging op een stroomrug  in de uiterwaarden.

Wat informatie over de cultuurhistorie en de ontstaansgeschiedenis van de bodem:

Het dorp Zalk wordt voor het eerst genoemd in 1213. De geschiedenis van de dorp is nauw verweven met het vroeger iets zuidelijk gelegen 13e-eeuwse versterkte huis van de heren van Buckhorst. Het grondgebied van Zalk was eeuwen bezit van de heren van Buckhorst, die ook het aan de overkant van de IJssel gelegen Veecaten beheersten. Bij de Grondwet van 1848 kwam pas een einde aan de invloed van de heren van Zalk en Veecaten. Het landhuis Buckhorst is kort na 1839 gesloopt.

Zalk ligt op een oeverwal:  een langgerekte zandige hoogte die langs de oever van de rivier ligt. Aan de noordkant volgt deze de dijk, die waarschijnlijk op de rand van de oeverwal is aangelegd. Buiten de dijk, in de uiterwaarden, ligt het landschap van meanderruggen en geulen (zeldzaam landschapstype: ‘kronkelwaard’), waarvan de meanderruggen eveneens zandig zijn, maar veel smaller dan de oeverwal. De geulen zijn kleiig. Het Zalkerbos ligt op zo’n meanderrug.

De hele Zalkerwaard was in de 17e en begin 18e eeuw voor het grootste gedeelte bedekt met bos. Volgens kaarten uit 1664, 1712 en 1754 reikte het bos tot aan de oevers. Alleen langs de dijk was een zone met gras of bouwland. Het voortbestaan van een hardhoutooibos in uiterwaarden  die elders vooral als weiland in gebruik raakten, is waarschijnlijk te danken aan het feit dat het bos eigendom was van de Heeren van Buckhorst die de bestemming van het gebied als bos handhaafden. Uit oude kaarten valt op te maken dat  zij van het Zalkerbos een buiten maakten:  in de 18e eeuw ontstond een stelsel van rechte lanen met hoge bomen (waarschijnlijk beuken). Eén van de paden doorsneed het Zalkerbos van oost naar west en kwam uit bij het Bergje, een rustplaats tijdens uitstapjes naar het bos.

Maar de omvang van het bos stond wel onder druk. De dijkdoorbraken van 1753 hebben er wellicht aan bijgedragen dat delen van het bos in de loop van de volgende decennia werden gerooid. Het renvooi van de kaart van Leenen (1754) vermeldt:

“…dat gemelde Salcker Bosch seer tot nadeel der dijken, daartegeover is trekkende, omdat het houtgewas den stroom bij hooge rivier, naar de Mastebroeker sijde te veel wordt oover gedrongen en de dijken in groot gevaar bracht, te meer omdat de aanwas agter gemelde Bosch en bogt meer en meer toeneemt, door den swaaren afbreuk tegen de Salcker kerk: om welker reedenen het obsolut noodzakkelijk is dat gemelde Bosch sonder uijtstel wordt geremoveert, en geheel uijtgeroejt…”

RWS heeft ruimte voor de rivier niet van een vreemde, maar het uitroeien van het Zalkerbos staat nu gelukkig niet op de agenda. Integendeel, het gaat waarschijnlijk nog wat uitgebreid worden.

De belangrijkste historische functie van het essenhakhout was de houtproductie. De toepassingen en kwaliteit van het hout waren in veel opzichten vergelijkbaar met die van het hout uit eikenhakhoutbossen. Het essenhakhout had echter een veel grotere opbrengst. Hakhoutbeheer met een korte omlooptijd in de lager gelegen geulen leverde ‘kleinhout’ of ‘beentjeshout’ op, dat onder andere werd gebruikt als aanmaakhout, roerstokken, bonenstaken, palen voor perceelscheidingen en jukken om takken van fruitbomen te ondersteunen. Het zwaardere hout, dat in langere kapcycli op de meanderruggen werd gewonnen, werd gebruikt als brandhout maar ook wel als timmerhout voor meubelmakers. Specifieke toepassingen van het fijndradige, maar zeer taaie essenhout waren gereedschapsstelen en timmerhout voor rijtuigbouwers. Het hout van de, ook nu nog in het essenhakhout voorkomende sleedoorn, werd gebruikt voor het vervaardigen van wandelstokken en stokken voor zwepen.

En wat zagen wij zoal behalve de eerder genoemde essen(stobben), iepen en de nog bloeiden sleedoorn.

  Zalkerbos, foto Heleen Strikkers

Blauwe druifjes: een iets andere soort dan de druifjes in de tuin, maar toch is het niet zeker of de blauwe druifjes met de heeren van Buckhorst als  stinseplanten mee zijn gekomen, of van oorsprong in dit gebied thuis horen. Hetzelfde geldt voor holwortel (stinseplant?) en voorjaarhelmbloem (ook wel vinger helmbloem, inheems?) die we elk aan een eigen zijde van een bospad aantroffen. Het verschil zit hem bovengronds in de schutbladeren: handvormig (vingerhelmbloem) of een beetje toegespitst eivormig (holwortel). En de holwortel is in alles wat groter en grover dan de vingerhelmbloem.

bosanemoon, foto Heleen Strikkers

bosanemoon

foto Heleen Strikkers

vingerhelmbloem

 

 

Blauwe druifje, Muscari botryoides
Blauwe druifje, Muscari botryoides

De verschillende loken waren nog (lang) niet in bloei: slangenlook met brede bladeren (doen in de verte wel denken aan de bladeren van kropaar), moeslook (wat smaller en bijna afgerond driehoekig  blad) en kraailook dat vooraan bij de dijk stond en meer een kleine prei of uit de kluiten gewassen bieslook is. Vogelmelk, ook niet in bloei, heeft een witte streep in het blad zoals ook crocussen vaak hebben.

Wel in bloei: drie verschillende soorten dovenetels:  de witte, de gevlekte – niet per sé met een vlek op het blad, qua vorm van blad en bloem sterk lijkend op de witte, maar dan paars, en de paarse die in alles veel kleiner is dan de gevlekte en met meer afgeronde bladeren. Bovendien hebben de paarse en gevlekte een verschillende biotoop: de gevlekte hoort echt in het bos terwijl de paarse een veel ruimere verspreiding kent op wat ruigere en/of verstoorde gronden.

Gevlekte dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Gevlekte dovenetel

Paarse dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Paarse dovenetel

Witte dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Witte dovenetel

 

Schaafstro begon al weer aardig te groeien. De populatie in het bos is genetisch gelijk, want gegroeid uit één wortelstelsel. Die genetische eenvormigheid maakt planten kwetsbaar voor ziektes. Als er één gaat, gaan ze allemaal. Net als varens en heermoes plant schaafstro zich voort via wortelstokken, zoals in het Zalkerbos, of via sporen  voor de lange afstanden in tijd en plaats. Lekker voor konijnen en bruikbaar als een heel fijn soort ‘schuurpapier’ om het riet van een klarinet of hobo bij te werken.

Toos vindt een oude Aardster, foto Heleen Strikkers Gulden boterbloem, foto Heleen Strikkers hakhout en Schaafstro, foto Heleen Strikkers Hondsdraf maarts viooltje, foto Heleen Strikkers mannelijke aar van Schaafstro, foto Heleen Strikkers

Wel bloeiend: de bos planten  maartsviooltje, bosanemoon, grote muur en gulden boterbloem en het algemeen voorkomende speenkruid met speenvormige wortelknolletjes voor de voortplanting.

Op de terugweg bij de fietsen/auto speurden we ook nog even met succes naar de knolboterbloem met de kenmerkend teruggeslagen kelkblaadjes.

Al met al was het een prima start van het seizoen! Zulke dagen smaken naar meer.

En over smaak gesproken: de veronderstelling was dat pesto, alleen van zevenblad toch niet zo heel lekker is: tip: combineren met spinazieblad (of dan toch maar helemaal niet aan beginnen). Een onbetwiste tip: stamppot van vogelmuur i.p.v. rauwe raapstelen moet juist wel erg lekker zijn. Moet je natuurlijk wel een plekje weten met vogelmuur in overvloed en ook een beetje forse planten….

Via de mail kregen we nog een toegift van Niels:

  • moeslook (Allium oleraceum, stond er dit jaar vrij veel in het bos, tussen de slangenlook, die heet Allium scorodoprasum). Moeslook heeft een met merg gevulde bladschijf. Kraailook (Allium vineale, staat op de dijk) heeft een holle bladschijf.
  • blauwe druifjes (Muscari botryoides) heeft volwassen, vruchtbare bloemen die bolrond zijn. De planten hebben 2-3 (-4) bladen die 5-12 mm breed zijn. De bloeiwijze is ten slotte tamelijk losbloemig. Zijn tuinplant-evenbeeld is de Langbladige druifhyacint (Muscari armeniacum). Die heeft bloemen die meer langwerpig zijn (omgekeerd eivormig tot langwerpig-urnvormig), en meer, namelijk (2-) 3-5 (-7) bladen die 1-10 mm breed zijn, dus in de regel wat smaller dan blauwe druifjes. De bloeiwijze is ten slotte tamelijk dichtbloemig.

Bronnen:

  • Hitorisch-geomorfologische ontwikkeling van enkele riviertrajecten langs de IJssel, G.J. Maas, DLO-Staring Centrum, Wageningen, 1998
  • http://www.natuurkennis.nl/
  • Natuur in de IJsseldelta, 1. Het Zalkerbos, drs. G.J. Eenkhoorn, Vereniging voor Natuurstudie en –bescherming ‘IJsseldelta’ 1985

Verslag: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

Plantenwerkgroep, excursie Amerongse Bovenpolder 30-08-2014

De Utrechtse Heuvelrug loopt als een hoge zandrug van de Grebbeberg bij Rhenen tot aan het Gooimeer bij Huizen. De stuwwal met zijn bossen en heidevelden rijst op uit het vlakke agrarische landschap. Het zuidelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug is aangewezen als Nationaal Park (ca. 10.000 ha). Naast de stuwwal horen ook de uiterwaarden van Amerongen bij het Nationaal Park.

Het grootste deel van de Amerongse Bovenpolder wordt gevormd door ‘wilde riviernatuur’.  Begrazing door paarden en runderen en periodieke overstromingen hebben het landschap vormgegeven. Rond 2000 is er een zogenaamd kwelmoeras aangelegd. Dat moeras wordt gevoed met regenwater dat in de zandige heuvelrug valt en na een heel lange tijd als schoon water aan de randen van de stuwwal naar buiten sijpelt.  Daarnaast heeft de Nederrijn in de loop der tijden klei en zand aangevoerd en zo gezorgd voor een grote afwisseling in de brede uiterwaarden, waardoor er een grote verscheidenheid aan planten kan gedijen.

In dit prachtige gebied starten we onze wandeling op de Lekdijk. Echter niet voordat we  koffie met iets lekkers, volgens het aloude gebruik van de plantengroep, hebben genuttigd. Dit keer op stand en wel in de paardenstallen van Kasteel Amerongen. 

De weergoden zijn ons vandaag helaas niet zo goed gezind. Het regent en blijft regenen. Aangezien we niet van suiker zijn trekken we, voor zover aanwezig !!!,  laarzen en regenpakken aan.  Een bijzonder uitgedost gezelschap struint even later in de uiterwaarden van de Amerongse Bovenpolder.

 

Prachtige (erg) natte gebieden met plassen waar lepelaars huizen en graslanden waar ganzen zich thuis voelen. 

Het uitzicht is overal wijds met echt Hollandse luchten, vandaag in 50 tinten grijs.

We verlaten de Rijnsteeg om rechtsaf richting de Hank te lopen.  De Hank is een oude zijtak van de rivier. Het is een kwetsbaar gebied. Daarom noteert Niels heel voorzichtig de eerste waarnemingen. Ik doe een poging om het een en ander te noteren, maar mijn notitieboekje is in een mum van tijd doornat. Gelukkig kan ik later op Telmee.nl alle soorten die we gezien hebben teruglezen, met dank aan Niels en de moderne techniek.

Bij een prachtige plas zien we een groep lepelaars en vinden we knikkend tandzaad, zwart tandzaad. (bij de Nederrijn komen we later ook veerdelig tandzaad tegen, helaas niet het zeldzame riviertandzaad)moerasvergeet- me- nietje, het sierlijke grote waterweegbree, grote kattenstaart, rode waterereprijs, slanke waterkers en ook weer een stel russen: zomprus, platte rus en zeegroene rus.  Niels staat bijna op de kop in de sloot om ons klein kroos te laten zien.  Klein kroos met 1 wortel, veelwortelig kroos met meerdere wortels. Echt zo moeilijk is het niet.

 

Verderop staan verschillende wilgen bij elkaar. Een katwilg, schietwilg, boswilg (ook wel waterwilg genoemd) en grauwe wilg. Mooi om goed de verschillende te kunnen zien en nu nog onthouden.  De eenstijlige meidoorn, volop aanwezig langs de wandelroute,  is rijkelijk getooid met haar rode bessen een lust voor het oog.

We volgen de route van de rode paaltjes. Linksaf, rechtsaf, bruggetje over, door hoog gras, rechtsaf, over het hek , langs het prikkeldraad, weer een bruggetje, stukje weiland door,  weer een bruggetje…….!   U begrijpt het al. Een aan te bevelen afwisselende wandelroute.  De graslanden wisselen af met waterpartijen, wilgenstruweel en moerasachtige delen.

Een veld met watermunt en moeraswalstro geeft een prachtig plaatje. Helaas is fotograferen geen optie met al die regen. Het is oppassen geblazen . Soms zak je plotseling diep weg in het moerassige gebied.  Wel of geen sloot is niet goed te onderscheiden. Het natte gedeelte wordt afgewisseld door hoger gelegen graslanden, waar we het madeliefje gelukkig ook weer tegenkomen. Verder Europese hanenpoot, gewone rolklaver, wilde cichorei en een ruige leeuwentand. De laatste is vrij zeldzaam. We nemen voor de zekerheid een blad mee om te zien of deze gegaffelde haren bezit. Thuisgekomen kan ik constateren dat de bladrand aan twee kanten haren heeft. Gegaffeld ?

De meegebrachte boterham eten  we zittend op het doorweekte grasland naast  felgekleurd Groot kaasjeskruid.  Hollandse koeien komen nieuwsgierig bij ons kijken. Hun warme adem voelt aangenaam in mijn nek.  Een valk staat hoog in de lucht te bidden, vast niet voor mooier weer.

Na de lunch lopen we over het bruggetje over De Hank.  We besluiten niet verder  westwaarts te wandelen omdat de regen niet van ophouden weet. We soppen richting de Nederrijn.  Om vervolgens langs de rivier richting het veerpont  en via de Rijnsteeg  weer terug te keren naar het plaatsje Amerongen.  We helpen elkaar over en  onder het prikkeldraad door.

Bij de rivier is het uitzicht magnifiek.  Schilder Voerman zou direct geïnspireerd raken.  Jammer van de groep caravans aan de overkant.

Bij de rivier vinden we een prachtige border met reuzebalsemien,  goudgele honingklaver, veerdelig tandzaad, boerenwormkruid, wilde bertram, akkermelkdistel, rood zwenkgras en waterzuring.

Langs de rivier slenterend komen we nog kalmoes, dauwbraam, kattendoorn, rode ogentroost, blauw glidkruid, late stekelnoot (z), watermunt en hertsmunt (z) tegen. 

Bij het veer aangekomen, waar zacht vetkruid (z) en sikkelklaver staat,  laat Toos ons nog een prachtige oranje balsemien zien.   Oeps, daar komt een boswachter van Staatsbosbeheer aangereden.  Hij blijft dominant aanwezig , duidelijk houdt hij in de gaten wat we uitspoken.  Het volgende gebied langs de rivier is immers verboden terrein.  En eerlijk gezegd  denk ik dat we net ook op verboden terrein hebben gelopen (gezien het prikkeldraad). We lopen netjes de verharde Rijnsteeg op en even later rijdt de alerte boswachter ons weer voorbij.

Langs deze weg staan  veel meidoornstruiken vol rode bessen, vlier met zijn trossen paarsrode vruchten, wilde kardinaalsmuts, zoete kers, okkernoot, een supermarkt voor de dieren.

Einde middag bereiken we de parkeerplaats. HET IS DROOG.  We ontdoen ons van het natte plastic en gaan op zoek naar een gezellig restaurantje om op te warmen. Mocht u ooit in Amerongen komen, dan is het goed toeven in de Herenkamer van Café Buitenlust. Na een lekkere maaltijd vertrekken we voldaan richting Kampen en kijken we ondanks de vele regenbuien terug op een zeer geslaagde dag met een eindresultaat van 175 soorten wilde planten !!!! Teveel om hier allemaal op te noemen.

Tekst: Ellen van Knippenberg

Foto’s Gonny Sleurink

Plantenwerkgroep, excursie Ramspol 20-8-2014: heel veel pioniers

Op woensdagavond 20 augustus vertrokken we met ons 4-en naar Ramspol, de plek waar pas geleden nog de fundering stond van de oude brug. Daar voegde zich nog een 5e excursiegenoot bij ons. Het was er drassig en nat dankzij de vele regen van de afgelopen weken. Maar die avond was het droog en hadden we een prachtige zonsondergang achter de brug.

  

Op de site van wilde-planten.nl staan vaak mooie oude tekeningen uit de Flora Batava van 18xx (naast, regelmatig, foto’s van o.a. Niels). Alleen van Zwart tandzaad ontbreekt een oude tekening, omdat deze soort in Nederland pas is ingeburgerd tussen 1900 – 1924.

De nazomer is ook goed voor Meldes en Ganzenvoeten. We konden weer even repeteren: bij Melde zijn de onderste paar bladeren (of de lidtekens daarvan als ze al verdwenen zijn) tegenoverstaand, bij Ganzenvoeten niet. We zagen Stippelganzenvoet met bladlobben die geleidelijk naar het eind van het blad steeds smaller worden en Melganzenvoet, waar de bladeren sterk veranderlijk zijn, maar vaak melig behaard (overigens komt mel van meel: vroeger werden de zaden wel tot meel vermalen). Bij Uitstaande melde is de hoek die het blad maakt t.o.v. de stengel niet haaks, maar  schuin (zeg 135%), Rode ganzenvoet heeft glimmende bladeren, Zeegroene ganzenvoet, met een rood aangelopen steel en bladeren die aan de onderkant wit zijn. (En dan sla ik de Spiesmelde nog even over…)

    

Ook melkdistels waren in allerlei vormen aanwezig: akkermelkdistel, gewone melkdistel, bekend van de tuin, brosse of ruwe melkdistel met glanzend blad en de eerste moerasmelkdistel die we zagen was te herkennen aan het spiesvormige blad, maar verder piep klein. Later zagen we moerasmelkdistels  in volle glorie tussen de 2 en 3 meter hoog. 

De Heukels Flora kwam er aan te pas om 2 Teunisbloemen juist op naam te brengen (Middelste en een kruising van de Middelste en de grote) en 2 Basterdwederiken (Kantige en Beklierde).

Andere leuke soorten vond ik  Goudzuring, Gespleten en Gewone hennepnetel (vanwege het onderscheid), Blauw glidkruid, Rode waterereprijs, en Aardbeiklaver.

Onze topper was Krielparnassia of Sierlijke vetmuur. Aanvankelijk een raadsel (‘waar kijken we hier eigenlijk naar?’), omdat we vooral plakken slierten met vruchtjes daaraan zagen.  Het duurde even voordat we besloten dat de ‘grassprietjes’ die er soms bij stonden, de bladeren waren en we uiteindelijk ook nog een paar bloemen vonden. Toen we hem eenmaal op naam hadden gebracht hebben we net zo lang doorgezocht tot we hem in 2 kilometer hokken hadden. Het grootste gedeelte van wat we gezien hadden stond vrij nat, deze vonden we in een droger stuk met o.a. Nagelkruid, Dagkoekoeksbloem en Fluitekruid. (Uit wilde-planten.nl: Sierlijk vetmuur: rode lijst 2012, kwetsbaar, trend sinds 1950: sterk afgenomen, vrij zeldzaam, oorspronkelijk inheems.)

Daarna probeerden we onze lijst nog met een madeliefje compleet te maken, maar dat is niet gelukt. Dan maar thuis in het grasveld!

Al met al was het een heerlijke rustige zomeravond avond, begeleid door het geluid van jonge meerkoeten en een of ander rietvogeltje en op de achtergrond het verkeer dat over de nieuwe brug raasde, maar wat eigenlijk langs ons heen ging, doordat we ons zo concentreerden op wat we voor onze voeten vonden…

Tekst: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Lindevallei 22-6-2014

Op zondagmorgen 22 juni vertrokken we met z’n zessen vanaf het Meeuwenplein richting Friesland om een kijkje te nemen in de Lindevallei. De Linde (Lende volgens de Friezen) is een riviertje dat gedeeltelijk de natuurlijke grens vormt tussen de provincies Overijssel en Friesland. Het voert sinds jaar en dag water van het Drents plateau af naar het IJsselmeer. Voor de inpolderingen mondde de rivier uit in de Zuiderzee bij Kuinre.

De Linde ligt in een dal dat tijdens de laatste ijstijd door een gletsjertong is uitgesleten. Het dal is in latere tijden met hoogveen bekleed geraakt. Aan het eind van de achttiende eeuw werd hier veel turf gewonnen. Hier en daar zijn nog blauwgraslanden en trilvenen te vinden. Veel van deze terreinen zijn inmiddels in beheer genomen door het Fryske Gea. De Lendevallei vormt thans een natuurlijke verbinding tussen het Nationaal Park Weerribben en het natuurreservaat Rottige Meente. 

Aangekomen in Oldemarkt mislukte de gebruikelijke poging tot het nuttigen van het traditionele appelgebak met koffie jammerlijk. Doorgereden dan maar, via Ossenzijl, naar de poort van Friesland: Wolvega. Ook in deze Friese metropool behoorde een warm welkom niet tot de mogelijkheden. Na een korte check in het centrum werd besloten om terug te rijden naar de Holland Inn, een restaurant aan het begin van de bebouwing, waarvan de naam enige grandeur deed vermoeden.

De werkelijkheid was anders, het vermoeden begon te rijzen, dat we in een chique gaarkeuken van een belendend rusthuis waren beland. Eenmaal gezeten werd ons alras en bits medegedeeld dat we het door ons bestelde appelgebak wel konden vergeten. Apfelstrudel hadden ze en niks anders. Duits gebak in een Fries rusthuis? Waar waren we in hemelsnaam beland? Tot iemand enthousiast (Gonny, Heleen?) uitriep: “Ik zag twee gewone mensen!” Waarmee de eerste bijzondere waarneming op Friese bodem een feit was. De apfelstrudel, het dient gemeld, was ‘Deutschgründlich’ bereid en smaakte dientengevolge ‘hervorragend’.

Alvorens te vertrekken zagen we in het zaaltje ernaast nog enkele verpleegkundigen, die verkleed een zaaltje ouderen trachtten te vermaken. We noteerden hier een kikker, een ezel en een niet nader te determineren koe-achtig wezen van onbestemde kleur. Lol!

 Even later stapten we uit op een parkeerplaats, zijnde een oud stukje provinciale weg. Op de brug alhier startten we onze excursie. Het was half bewolkt en zo’n 20 graden. Vanaf de brug hadden we uitzicht op een prachtig landschap. De zich door dit landschap meanderende Linde was omgeven door hooilanden. Hier en daar een nat stukje veen. Hollandse wolkenluchten maakten het prachtige panorama compleet. Aan de overkant van de weg bevond zich een veldje vol reuzenberenklauwen aan de Linde. De eerste plant die aan onze kant de aandacht trok was een forse grote teunisbloem. Ook vonden we hier een witte variant van de zachte ooievaarsbek en tevens wilde framboos, vogelwikke en klein streepzaad. 

Overig: biggenkruid, boskruiskruid, grote ratelaar met bleke schutbladeren (bij kleine ratelaar zijn deze lichtgroen), Japanse knoop, kropaar, grote klis, groot hoefblad, St. Janskruid, kleine klaver, zachte ooievaarsbek: afstaande haren op de stengel in tegenstelling tot kleine ooievaarsbek met aanliggende haren.

      

Even verderop gingen we het veld in en passeerden alras de restanten van de Blessebrug- schans, die in vroeger tijden een onderdeel vormde van de Lindelinie. Een verdedigingslinie door de Friezen aangelegd tegen de aanvallen van de legers van de bisschop van Münster, beter bekend als ‘Bommen Berend’. In het rampjaar 1672, nadat Franse en Engelse legers ons aanvielen, zag deze onverlaat zijn kans schoon. Als antwoord daarop werd de gehele Lindevallei onder water gezet en kon deze laffe kerkvorst naar zijn bisdom terugkeren.

We zagen in de omgeving van de schans o.a. ruwe bies, moeraswalstro, koninginnenkruid en moerasandoorn. Ook vonden we een dikbehaarde rups van de grote beervlinder.

Bijzondere vondst: de paddenrus (Juncus subnodulosus). Opvallend kenmerk: De generatieve stengels zijn onder de bloeiwijze hol en hebben op regelmatige afstand dwarse tussenschotten.

Overig: pitrus, gele waterkers, biezenknoppen, wolfskers, moerasrolklaver, ruwe bies, liesgras (Glyseria maxima), watertorkruid, moerasspiraea, kale jonker

Hierna staken we de provinciale weg over en vervolgden we onze tocht over het fietspad. Erlangs vonden we een prachtige groeiplaats van de steenanjer. We liepen daarna een boerenwegje op met wilgenroosje en boskruiskruid. Bij de overgang van de spoorweg Zwolle – Leeuwarden groeide het akkerviooltje. Even later passeerden we een kanaal dat onder de A32 doorliep en vonden hier de witte vorm van het muskuskaasjeskruid. De mevrouw die hier breeduit zat te hengelen trok aller aandacht. We konden niet nalaten bewonderende blikken te laten vallen op het robuuste visstoeltje, dat vermoedelijk van degelijke, vooroorlogse makelij was. Sommige beelden raak je niet kwijt!

   

Een paar schreden verderop zegen we allen neer in het gras met uitzicht op een wederom prachtig landschap. Een uitgelezen lunchplek! Het plasje waaraan we zaten was vol krabbenscheer gegroeid, een indicator voor de verlanding. Na een kort tochtje door manshoog gras liepen we verder om een poging te doen een grote plas te ronden. Vreemde jodelgeluiden, afgewisseld met het geroep van een koekoek begeleidden ons op onze weg. Niels veronderstelde dat al deze geluiden wel eens van een koekoek afkomstig zouden kunnen zijn, maar niemand kon dit bevestigen. Tot we ze zagen vliegen. Drie koekoeken maar liefst! Kale jonker, moerasspirea en waterkruiskruid omzoomden het pad waarover we ons voortbewogen.

       

Almaar verder liepen we over het pad dat ons om de plas moest leiden. Maar kon dat eigenlijk wel? Verontrustend was wel dat we alle wandelaars, die ons onderweg hadden ingehaald, op hun schreden zagen terugkeren. Bij navraag bleek dat de plas inderdaad te ronden viel. “Als je maar volhoudt en zo” luidde het monter.

Uiteindelijk bereikten we de afslag Wolvega van de snelweg Meppel – Leeuwarden. Hier groeide wederik en vonden we een mooi te fotograferen jacobsvlinder. Toen bleek dat we niet alleen ver van huis, maar erger ver van onze auto’s waren afgedwaald. We waren ten noorden van Wolvega beland en moesten derhalve eerst deze stad nemen teneinde huiswaarts te kunnen keren. Pffftttt, maar de ijsjes van Ellen brachten halverwege uitkomst. Onderweg scoorden we in de mooi ingezaaide bermen van Wolvega nog gele kamille, muskuskaasjeskruid en ossentong. Rond zes uur werden we opgepikt door onze chauffeurs Niels en Gonny, die vooruit waren gesneld.

’s Nachts in bed bedacht ik me nog wat het een leuke dag het was: lekker weer, gezellie, stengelomvattende blaadjes, opstaande randjes, gespleten stampertjes, stijve afstaande haartjes, omgekrulde bladpuntjes en spiraalvormi . . . . . . zzzzzzzzzzz.

 

Verslag: Cor Nagelmaeker

 

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Met dank aan: Niels Jeurink, Ellen van Knippenberg en Toos Lodder

 

Overige vondsten onderweg:

laurierwilg, cichorei, boskruiskruid, hennegras (Calamagrostis canescens), vuilboom of sporkehout, kleine leeuwenklauw, akkerviooltje, harig vingergras, klein vogelmuur, bleekgele droogbloem, klein kruiskruid, heermoes, greppelrus, krabbenscheer, katwilg, grauwe wilg, vreemd verkeer

langs de Linde:

egelboterbloem, moeraswalstro, schildereprijs, zeegroene muur, timotheegras, echte koekoeksbloem, stijve zegge, holpijp, waterweegbree, watertorkruid, brunel, tengere rus, waterzuring, pijptorkruid, kikkerbeet, kleine en grote watereppe, klaverzuring, wederik. 

In het bos: brede stekelvaren, kamperfoeli, hulst, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, gewone melkdistel, klein hoefblad, struisgras, salomonszegel, zandkool, akkerkool, wijfjesvaren, pijpestrootje, grote muur, tijmereprijs, robertskruid, akkerkers, kaardenbol, roze dovenetel en bermooievaarsbek of Pyrenese ooievaarsbek (Genarium pyrenaicum).

 

Plantenwerkgroep: excursie Teutoburger Wald 24-05-2014

 

Eigenlijk hoef je niet zo lang te rijden om er zeker van te zijn dat je in het in het buitenland bent. Het vertrek om 07.30 uur was dan ook vroeg genoeg zodat we om 10.30 Kaffee mit Kuchen konden nuttigen in een coffeecorner van een supermarkt, met uitzicht op een meiboom en de toren van een mooi kerkje in het plaatsje Stuckenbrock.

Het was even spannend of we genoeg vervoer zouden hebben want ondanks de duurzame auto van Niels passen daar toch geen 8 mensen in. Gelukkig was Gerrit Sleurink zo sportief om de fiets te pakken zodat zijn vrouw Gonny het probleem van het vervoer op kon lossen.

Na een sanitaire stop met ingang ergens tussen de kaas en de ham vertrekken we naar Oerlinghausen, iets ten zuiden van Bielefeld in het oostelijk deel van het Teutoburger Wald, een gebied met een oude kalkwinningsput en zandgroeve.

Enkele jaren geleden bezochten we al eens de omgeving van Osnabrück, waar we tot groot genoegen een orchideeënrijk grasland bekeken (Silberberg bij Hagen).

Het Teutoburgerwoud vormt ongeveer de grens tussen de deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen. Het is een tamelijk hoge maar heel smalle heuvelrug, met toppen tot ruim 400 meter. Het is er bosrijk met zowel loof- als naaldbos en plaatselijk ook graslandjes. Op veel plaatsen komen voor ons bijzondere plantensoorten voor, waaronder orchideeën als soldaatje en zelfs vrouwenschoentje. Daarnaast is het gebied bekend vanwege allerlei bijzondere diersoorten, denk aan grijskopspecht, oehoe, ruigpootuil en ook de relmuis. Die laatste is een soort uit z’n krachten gegroeide muizensoort met een roomwitte vacht. De relmuis, die ook wel zevenslaper wordt genoemd, is een behendige klimmer. Vandaag gaan we maar eens kijken welke bijzonderheden we kunnen ontdekken.

Vanaf een parkeerplaats begeven we ons in ganzenpas richting het bos. Het pad leidt ons eerst door een parkje waar een bord staat met niet te lezen opdruk. Blijkbaar heeft iemand hier met graffiti aan willen geven dat dit toch echt het eind van de bewoonde wereld is. Am Kalkofen worden de eerste vondsten genoteerd: Muursla, een grote hoeveelheid Bingelkruid – dit betreft 1 en dezelfde plant en het zijn dus allemaal klonen, Klein springzaad, Robertskruid, Schaduwgras, Dolle kervel, Rode Kamperfoeli en het “wilde” Gebroken hartje: Dicentra formosa. Soorten waaruit blijkt dat we nog steeds in de buurt van de bebouwde kom zijn. Muursla kun je namelijk ook tegenkomen in de Oudestraat in Kampen.

     

Ook zien we Egelantier (Rosa rubiginosa). De bloemen zijn rozerood met een wit centrum. De plant heeft aan de onderzijde van de blaadjes klieren die, als je erover wrijft de geur van appeltjes verspreiden. Een roos die er erg op lijkt, maar niet geurt is de Hondsroos. Deze komen we ook tegen op ons pad verder het bos in. Nu wordt het spannender: Eenbloemig parelgras, een heel mooie soort, rank en heel fotogeniek in het strijklicht dat door de bomen valt, Gevlekte aronskelk, Heggenwikke, Dichte bermzegge, Koninginnekruid, Heksenkruid, Gewone ereprijs, Ruig klokje (Campanula trachelium), Veronica montana (Bosereprijs) en in prachtformaat Atropa bella-donna, de Wolfskers.

Wolfskers komt van nature voor in Europa, Noord Afrika en West-Azië en is van daaruit verspreid over de hele wereld. In Nederland is de soort zeer zeldzaam en voornamelijk in Zuid-Limburg en Gelderland te vinden, maar hij komt ook voor in parken in de rest van Nederland. De standplaats is op beschaduwde plekken, vooral aan de rand van het bos.

De soortaanduiding bella-donna is Italiaans en betekent ‘mooie vrouw’. Vrouwen druppelden tijdens de Renaissance namelijk het atropine bevattende sap uit de plant in hun ogen om de pupillen te verwijden en ze donkerder en glanzender te maken. Dat ze daardoor ook slechter zagen werd voor lief genomen.

De hele plant bevat giftige alkaloïden. Bijzonder gevaarlijk zijn de bessen die de uiterst giftige stof atropine bevatten. Het eten van drie bessen kan dodelijk zijn voor een kind. Voor een volwassene zijn tien tot twaalf bessen vaak fataal.

We willen het beginsel van Niels: ‘een plant kun je minstens 1 keer eten’ toch maar niet uitproberen en het vrouwelijk schoon binnen de groep houdt graag de ogen droog, dus we nemen bewonderend afstand van deze krachtige plant en vervolgen onze weg. Herman roept ons terug. Hij heeft iets gevonden: een Segrijnslak, een grote longslak. Hij neemt hem op de hand en het dier wordt van alle kanten bewonderd. Even later kunnen we van chagrijnslak spreken want Niels laat een verpletterende indruk achter op een paartje dat elkaar net het ja-woord heeft gegeven. Helaas: geen nageslacht dus.

   

De overige fauna wordt ook niet verwaarloosd tijdens deze excursie. We staan allemaal naar beneden te turen, maar Gonny v. d. Weerd hoort iets boven in de boom en daar zien we vlak voor onze neuzen hoe een moeder boomklever haar jong te eten geeft. Prachtig. Ook horen we het geluid van een knikkerbak: een Fluiter. In de verte klinkt een specht, er wordt luid getjiftjaft en overal klinkt de mooie melodie van de merel. Een Bandspanner (niet te verwarren met fietsengereedschap) fladdert voorbij en vind haar voedsel op het glad walstro en kleefkruid dat in ruime mate langs de rand van het pad groeit. De tuinliefhebbers onder ons bekijken deze laatste plant met enige argwaan, zoals ook met gemengde gevoelens naar zevenblad wordt gekeken. Inderdaad: dat kun je eten, en de bloemen zijn mooi, maar …

We lopen verder en noteren onder andere Boszwenkgras, Veldbies, Mannetjesereprijs, Bergbasterdwederik, Engbloem (Vincetoxicum hirundinaria), leuke vondst, Bosviooltje, Knopig helmkruid, Lievevrouwebedstro (Galium odoratum), in tegenstelling tot het Kleefkruid (Galium aparine) wel een leuke tuinsoort,  Springzaadveldkers, Mannetjesvaren, Brede stekelvaren, Wijfjesvaren en Adelaarsvaren, een soort waar heel Schotland mee bedekt lijkt te zijn. Oosterburen: waakt u dus!

Dan ontstaat er enige beroering: zwarte rapunzel! In Nederland staat hij op de rode lijst. De Schwarze Teufelskralle of zwartblauwe rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. nigrum, basioniem: Phyteuma nigrum) is een vaste plant die behoort tot de klokjesfamilie (Campanulaceae). Het is een plant van vochtige, voedselrijke grond in loofbossen. Hij staat dus precies op z’n plek. Goed gedaan! Terwijl er druk gefotografeerd wordt besluit Gonny van de Weerd er thuis een mooie tekening van te maken.

 

Tijd voor de meegebrachte lunch. Aan de rand van de zandgroeve zetten wij ons neer en kijken uit richting een vliegveld waarvandaan zweefvliegtuigen de lucht in worden getakeld. In de verte dreigt een onweersbui, maar daar schijnen de piloten geen angst voor te hebben want ze cirkelen langzaam omhoog op de thermiek zoals roofvogels dat ook zo prachtig kunnen doen. Het moet een fantastisch gevoel geven om zo geluidloos te kunnen vliegen.

Omdat het onweer blijft dreigen en we ook nog een andere plaats willen bekijken, rukken we ons los van het mooie uitzicht en vangen de terugtocht aan. Nog steeds is er geen orchidee te bekennen. We lopen langs de oude kalkgroeve en lezen dat zich hier een Oehoe genesteld heeft. We naderen duidelijk de bebouwde kom want hier groeit naast Bergvlier ook Cotoneaster en Mahonia. De laatste 2 zijn vast ‘overgewaaid’ uit naburige tuinen. We passeren het plaatselijke voetbalveldje en even lijkt het erop dat de belangstellig voor deze sport het bij het mannelijk deel van de groep lijkt te winnen van de aandacht voor plantjes.

De eerste druppels beginnen te vallen, dus we haasten ons terug naar de auto en rijden naar het noordwesten, richting Lienen.

     

Tussen Bad Iburg en Lengerich duiken we het bos weer in. Blauw walstro. Op een bergweide met vogelkijkhut: Margriet, Knolboterbloem, de rode Incarnaatklaver, Slipbladooievaarsbek, Witte krodde. Weer een bosje in, en ja hoor: hier staan ze dan: 4 verschillende soorten orchideeën: Bleek bosvogeltje, Bergnachorchis, Grote keverorchis en Vogelnestje. De camera’s klikken. De planten laten al deze belangstelling gelukkig onbewogen over zich heenkomen. 1 Persoon merkt op dat je vooral klein en zeldzaam moet zijn om zoveel mannen voor je op de knieën te krijgen. Dat overkomt bijvoorbeeld het Daslook, dat in grote getale ook ergens aanwezig was bijvoorbeeld niet, of zou dat aan de geur liggen?

Verderop zien we honderden Eenbessen en nog meer keverorchissen, Bezemkruiskruid, Boskruiskruid, Reuzenbalsemien, Heelkruid, Kruidvlier, Boswederik, Filipendula, Bosgierst, Dalkruid, Aronskelk en Stinkende gouwe.

 

Dan wordt het tijd om terug te gaan om te voorkomen na middennacht thuis te komen en de maag moet ook nog gevuld worden. Na wat omzwervingen bereiken we het eerder gespotte Gasthoff Altes Farmhaus in Lienen, ‘Treffpunkt für nette Leute’. Er wordt even getwijfeld of iedereen wel naar binnen mag. Gelukkig is dit het geval. Na een prima maaltijd met veel gezelligheid wordt de terugtocht aangevangen en lukt het om tegen 23.00 uur de Kamper bodem weer te bereiken.

Het was weer een gezellige en leerzame dag!

 

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink, Herman Koek en Heleen Strikkers

Tekeningen: Gonny van der Weerd

Met dank aan

Niels Jeurink, Cor Nagelmaeker, Ellen van Knippenberg, Herman Koek, Jeroen Klappe, Gonny van der Weerd, Gonny Sleurink

Voor meer foto’s zie het album van Herman Koek http://www.mijnalbum.nl/Album=6Q73GH3M#JLIUXZZA

(Klik op de foto’s om deze te vergroten)

Plantenwerkgroep, verslag excursie Kamperveen 21-05-2014

Kamperveen is de benaming voor het gebied tussen de stad Kampen en de provincie Gelderland. Het is een klei-op-veengebied. Kamperveen heeft drie buurtschappen: De Zande, Zuideinde en Hogeweg. De Hogeweg waar we vanavond wilde planten gaan bekijken heeft een kerk en een school en ligt midden in de streek. Verspreid tussen de drie kernen bevinden zich agrarische ondernemers die hoofdzakelijk veehouderij bedrijven.

We beginnen onze “wandeling” bij de kerk aan de Hogeweg met een leuke groep van 12 personen. Het berichtje in de krant heeft een iets vertekend beeld gegeven van de opzet van deze excursie. De krant sprak over een wandeling door het gebied Kamperveen, echter na een kwartier zijn we slechts 5 meter gevorderd. Wel hebben we dan al minstens 30 wilde planten gevonden en heel wat informatie van Niels tot ons genomen.

In de berm vinden we verschillende grassen, sommige erg lastig te determineren, omdat ze op het eerste oog veel op elkaar lijken. Lang vliesje, naaldjes, tongetjes maken het verschil. Wil je er meer over weten, dan is het leuk om een bezoekje te brengen aan de site http://www.vob-ond.be/Determinatie/start.html  van onze zuiderburen. Enkele grassoorten die er staan: gestreepte witbol, straatgras, zachte dravik, ruw beemdgras, Italiaans raaigras, grote vossestaart, kropaar, geknikte vossestaart en hier tussen groeien witte dovenetels, zwarte mosterd, zilverschoon, witte klaver, gele lis, gele hopklaver, rode veldzuring , waardoor de berm een lust voor het oog wordt.

Een leuke vondst tussen al dat gras is een kleine watersalamander. Al heel bijzonder dat hij opgemerkt wordt met zijn prachtige schutkleur. Ook een moeder-eend met haar kroost trekt onze aandacht. Wat helaas ook de aandacht trekt is het geluid van de trein en het voortrazende verkeer op de N50. De wind draagt het geluid naar de Hogeweg en verstoord jammer genoeg de rust van het platteland.

We lopen richting de Jules van Hasseltweg en gaan aan de andere kant van de weg lopen. Hier vinden we bomen en struiken langs de slootkant o.a. een linde, berk, paardenkastanje, Spaanse aak, Canadese populier en een vlier met haar prachtige bloemschermen. In de sloot drijft o.a. kikkerbeet en veenwortel De laatste komt ook op het land voor. De landvorm van veenwortel heeft behaarde bladeren, waarschijnlijk om uitdroging te voorkomen. Wel bijzonder dat ze zich op compleet verschillende plekken kan wortelen.

We slaan rechtsaf en lopen om de Dompekolk heen. Daar vinden we bij de sloot grote egelskop, waterzuring, kattenstaart, tenger fonteinkruid, veelkleurig vergeet-me-nietje (erg lange naam voor zo’n klein plantje, maar met prachtig bloempje onder de loep bekeken), veldsla, zachte ooievaarsbek, duizendblad en wederom een mooie vlier in bloei.

Het valeriaan is in aantocht. De wortels van deze plant worden gebruikt om een rustgevend medicijn van te maken en bij gehele consumptie van de plant wordt volledige rust gegarandeerd. Voorlopig hebben we geen valeriaan nodig. Het weidse uitzicht met hierboven prachtige wolkenluchten zorgt voor voldoende ontspanning.

Toch volgt er nog even een spannend moment. Wat kraakt daar in het struikgewas ???? Aan de andere kant van de sloot duikt ineens Rutger met bruine jas uit de struiken tevoorschijn. Waarop Jeroen meteen reageert : “Oeps de grote bruine beer ! “ Valeriaan kan nu helemaal in de kast, want niets werkt zo ontspannend als humor.

We lopen de parkeerplaats op en zien enkele groene tentjes langs de waterkant staan. In de Dompekolk is nachtvissen toegestaan, nadat een vergunning is verstrekt door Hengelaarsvereniging Ons Vermaak. Voor de kolk is er een kleine opgebrachte wal, waarop bitterzoet, krodde en korrelganzenvoet groeit.  Aan de rand van de kolk een lage zwarte els inclusief elzenhaantjes (kleine blauwzwarte glimmende kevertjes) die er lustig op los (vr)eten.

We lopen een stukje langs het water. Niet te ver, want we willen de rust van de hengelaars niet al teveel verstoren. Er staat een bord in het water, waar op het volgende gedicht van een Rijm-piet te lezen is: “Gedraag je niet als slappe zak, maar gooi je afval thuis in de afvalbak”  duidelijke taal !

Fraaier zijn de partij witte waterlelies en het zeegroene muur dat Niels ontdekt. Niet plukken waarschuwt hij meteen, want het is vrij zeldzaam. Verder lopend langs de kolk vinden we nog biezenknoppen, pitrus, 2-rijige zegge en scherpe zegge. Niels laat ons de verschillen zien. Zegge stamt uit het Indo-Germaanse woord seq, wat snijden betekent,  een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren.

We lopen weer terug naar de weg. Niels toont ons nog een steenuilenkast in de boom. We denken niet dat er iemand thuis is.

Voordat we de auto’s weer bereikt hebben zien we nog de egelboterbloem en de echte koekoeksbloem. Echter waar we voor gekomen zijn –  de grote pimpernel – kunnen we helaas nergens vinden. We zullen genoegen moeten nemen met haar foto in de Flora van Nederland. De bladeren, bloemen en bloemknopjes van de grote pimpernel zijn een wilde groente en kunnen prima in een salade verwerkt worden. Van de gedroogde bladeren kan een kruidenthee worden gemaakt. Zou het eten van wilde planten weer een trend aan het worden zijn? Dat zou in dit geval wel heel erg jammer zijn.

     

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Heleen Strikkers

Plantenwerkgroep, excursie Scherenwelle, 2e paasdag, maandag 21 april 2014

Paashazen tussen de kievitsbloemen

Op een wat regenachtige 2e paasmaandag, bezochten we met 10 man-vrouw Scherenwelle. De eerste plantenexcursie van het seizoen gaat traditioneel het ene jaar naar het Zalkerbos en het andere jaar naar Scherenwelle.  Beide zijn unieke natuurgebieden langs de IJssel in de buurt bij Kampen.

Bij de planning van de excursie hebben we geprobeerd de datum zo te kiezen dat de kievitsbloemen zouden bloeien. En dat is gelukt. Hoewel al zeker 2 weken in bloei, stonden ze er nog prachtig bij: veel paarse en een enkele witte.

Niels legde ons uit dat de kievitsbloem een soort is van regenrivieren en in Nederland alleen voorkomt in het Vechtdal en bij Gouda. En zoals vaak bij planten: waar hij voorkomt, komt hij dan weer massaal voor. Een rode lijst soort: zeldzaam maar plaatselijk algemeen. Deze plek aan de IJssel is wellicht een overblijfsel van een grotere populatie is een breder gebied rondom de Vecht.

Gletsjerrivieren overstromen vaak in het voorjaar, net de in de periode dat kievitsbloemen bloeien, zodat ze het daar niet doen. Daarom is deze groeiplaats aan de IJssel, een zijtak van de Rijn, dus een gletsjerrivier,  bijzonder. Verder moet de kievitsbloem er voor zorgen de grote vossenstaart voor te zijn: een goed groeiend gras van vergelijkbare omstandigheden. Als de vossenstaart vroeg is (of meer begunstigd wordt) gaat dat ten koste van de kievitsbloem.   

De bloei van de kievitsbloem wordt vooral bepaald door de daglengte en minder door de temperatuur. Daarom is de bloeiperiode vrij goed de voorspellen (half april; kan vast in de agenda voor volgend jaar!) Wie elders massaal kievitsbloemen wil zien schijnt in het Loiredal zijn hart te kunnen ophalen.  En ja: de kievitsbloemen uit het tuincentrum zijn cultivars die het wat minder nauw nemen met hun groeiomstandigheden.

Diverse ontwikkelingen rond de uiterwaarden van de grote rivieren zullen de komende jaren flinke invloed gaan krijgen op dit gebied (en op het Zalkerbos). Eén van de doelen is om op meer plaatsen kievitsbloemen te krijgen. Daarvoor zal een aantal weilanden wat worden afgegraven waardoor ze lager komen te liggen en dus natter worden.

Ook zullen bosjes, jonger dan ca. 20 jaar, die haaks op de rivierrichting staan worden gekapt. Dat riep bij sommigen van ons de vraag op hoe het er hier dan vroeger uit heeft gezien. Waren die bosjes er niet altijd al? Bijvoorbeeld om wilgentenen uit te snijden?

Ik heb er schilderijen van Jan Voerman eens op nageslagen. Veel van die IJsselgezichten van Voerman laten kalere uiterwaarden zien dan we nu hebben. Zie bijgaand Gezicht op de IJssel (ca. 1930) in het bezit van het Stedelijk Museum Zwolle.

 

Toen we verder liepen richting de IJssel, zagen we 2 hazen die elkaar achterna zaten al zigzaggend door de weilanden.

Onderweg kwamen we nog een aantal typische rivierplanten tegen zoals de (nog niet bloeiende) beemdooievaarsbek, de kleine pimpernel die net in bloei stond, samen met zachte haver, en rivierkruiskruid. En we vroegen ons af waar de naam pinksterbloem vandaan komt, die altijd met Pasen bloeit. Eén suggestie was dat de naam afkomstig is uit Engeland (pink: roze; maar in Engeland heet ie Cuckoo Flower en kondigt de komst van de koekoek aan). Op internet vond ik een paar andere verklaringen:

  • vernoemd door Linnaeus zelf. Die kwam uit het noorden en daar was Pinksteren wat later, dus bloeide de bloem bij hem als het Pinksteren was… maar ja, hield Linnaeus zich wel bezig met inheemse (Nederlandse namen)??
  • aankondiging dat de pinken de wei weer in mogen 
  • staat voor vroeg bloeiend en vroeg is dan rond Pasen/Pinksteren

En zoals hoort bij een plantenexcursie: hadden we een integrale natuurexcursie. Twee visdiefjes buitelden over de IJssel. Opmerkzaam gemaakt door het geluid, zagen we 3 regenwulpen.

De toonhoogte van het gesnor van de snor en sprinkhaanzanger is voor de fijnproevers, die we gelukkig in ons gezelschap hadden, zodat we wisten dat we een snor als een metalen staafje over een kammetje hoorden snorren.

Altijd mooi vind ik het zicht op Wilsum, als je vanuit de uiterwaarden naar het dorp loopt: het oude kerkje en de boerderijen die tegen de dijk aan gebouwd zijn.

Via de dijk liepen we terug naar de auto’s en fietsen.

Weliswaar een beetje nat, maar voldaan  over deze mooie excursie!

Waarnemingen

  • Kievitsbloem, knolboterbloem, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem, kleine pimpernel, zachte haver, zachte dravik, beemd ooievaarsbek, rivier kruiskruid, kruisdistel, kluwen hoornbloem, akkerhoornbloem, tweerijige zegge, scherpe zegge, pinksterbloem, dotterbloem, moeraszuring, krulzuring, veldzuring, herik, hopklaver, reukgras, grote vossenstaart, kleine brandnetel, schietwilg, krakwilg, glad walstro, witte en paarse dovenetel, hondsdraf, smeerwortel, fluitenkruid
  • Regenwulpen, snor, visdiefjes, bruine kiekendief, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, rietgors, boerenzwaluw, zwartkop, ooievaar
  • 2 hazen

Verslag: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Plantenwerkgroep, avondexcursie Roggebotsveld 3-7-2013

 

We bezochten deze avond het Roggebotsveld, dicht bij Ketelhaven bij de boerderij ‘De Scheper’. Hier is een gebiedje tussen het Roggebotzand en de Ketelhaven natuurlijk ingericht en het is aardig om te zien welke plantensoorten er voorkomen. Het Roggebotsveld is een langgerekt perceel langs de dijk naar Ketelhaven. De grond is er afgegraven, waarbij op sommige plaatsen natte laagtes en poeltjes zijn ontstaan. De vegetatie bleek er nog niet zo spectaculair, al zagen we uiteraard veel verschillende pioniersoorten. Op één plekje na dan, want daar vonden we enkele plantjes van sierlijke vetmuur, die ook wel krielparnassia wordt genoemd en kenmerkend is voor vochtige, kalkrijke duinvalleien. Wie weet geeft dat al wat aan welke kant het op kan gaan in delen van dit gebied.

We liepen vervolgens het bos in dat ook nog tot diezelfde vierkante kilometer hoort. De slakken waren er zo talrijk dat ze niet te omzeilen waren. Heel bijzonder en ook wel een beetje genant, als je bij elke stap gekraak van schelpen hoort. Maar goed, het bos leverde nog wel een paar bijzonderheden op, zoals de Japanse wijnbes, een sierlijk bloeiende bramensoort die wel meer in het Roggebotzand voorkomt. Ook bijzonder was een grote populatie reuzenpaardenstaart, de grootste inheemse paardenstaart die we hebben en familie van bijvoorbeeld heermoes en de schaafstro uit het Zalkerbos. Maar deze is dus groter en met veel dikkere stengels. Elders kennen we de plant eigenlijk alleen van plaatsen waar heel veel grondwater opwelt, waar je bijna wegzakt van de drassigheid. Maar hier is het niet zo drassig, al is de bodem wel lemig-zandig en kalkrijk. Het gaat de sporenplant, die zich trouwens vooral door wortelstokken vermeerdert, voor de wind, er staan zeker duizenden planten. Het was al donker toen we weer huiswaarts keerden.

Verslag: Niels Jeurink

Foto’s: Gonny Sleurink