Category Archives: Plantenwerkgroep – verslag

Plantenwerkgroep: excursie Salmorth 5-7-2015

Salmorth Knikkende distel

Knikkende distel

Salmorth Knolribzaad

Knolribzaad

Het was te heet op zaterdag. Daarom gingen we ‘dus’ een dag later op pad. Op naar Salmorth. Dat is een -net- in Duitsland gelegen natuurgebied. Langs de Rijn, die hier nog niet is gesplitst in de Waal en de Rijn, en dus mooi breed is.

Aan de overzijde van de rivier ligt Lobith. Je realiseert je dat wat je altijd op Salmorth koeien Salmorth overzicht school leert, ‘dat de Rijn bij Lobith ons land binnen komt’, eigenlijk niet klopt. Dat doet ie …namelijk al bij Spijk. En aan de overkant van de rivier dus dat Salmorth. Ingesloten door de Rijn en een oude geul, de Griethauser Altrhein. Ooit moet de splitsing tussen Rijn en Waal verder stroomopwaarts gelegen hebben, en deze Altrhein zou een restant van de oer-Waal zijn. Het zal wel. Het enige plaatsje op het eiland, Schenkenschanz, lag toen zéér strategisch. En nu wonen er nog 128 mensen, schijnt het, en wordt het omgeven door een hoge wal die hoogwaterbescherming biedt en staan er diverse huizen leeg. Het kan verkeren.
Het eiland zelf is grotendeels beschermd natuurgebied. Stroomdalgrasland, dat prachtige, bloemrijke grasland op kurkdroog, door de rivier afgezet zand. Met een keur aan bijzondere plantensoorten. Knikkende distels springen in het oog, geoorde zuring, kruisdistels, veldsalie en zo kan je doorgaan. We vonden al met al een kleine 200 soorten, en dan hebben we niet eens heel goed gezocht.
Maar ook langs de Rijn is het er mooi. Een hoog opgaande vegetatie met diverse soorten wilgen, riet en veel knolribzaad bijvoorbeeld. En brandnetels, veel brandnetels. Auw.

Maar wat is het er fraai, met allerlei kleine hoogteverschilletjes, eigenlijk oude, begroeide rivierduintjes. Zeker een bezoek waard!

Tekst en foto’s: Niels Jeurink

 

Plantenwerkgroep: verslag excursie naar het Keteleiland/Industrieterrein Kampen 17-06-2015

Het lag in de planning om ’s avonds met de boten van Anton Sollie en Wim Baer richting het Keteleiland te varen en daar aan land te gaan. De nodige voorbereidingen waren door de heren al getroffen, echter aan het weer valt niets voor te bereiden.  Regen en harde wind werd er voorspeld.

Op het allerlaatste moment is de knoop doorgehakt en is  besloten niet te gaan varen.

Het ging die avond dus een beetje anders dan we van tevoren hadden bedacht, maar het is toch een leuke excursie geworden. En achteraf gezien was het annuleren van de vaartocht heel verstandig, aangezien de excursie zo tegen half tien behoorlijk nat eindigde. Maar toen hadden we wel al een heleboel gezien.

We hebben stukken van het industrieterrein Haatland bekeken. Startend op de Loswal, een lange brede kade langs de IJssel. De aanwezigheid van muurpeper, vogelmuur, gewone zandmuur en liggend vetmuur verbaast ons niet bij al die stenen, maar duinriet lijkt ’n beetje verdwaald.Coolpix 031

Langs de kade ligt de baggerboot die over 2 dagen start met het uitdiepen van het zomerbed van de IJssel. Op de kade zien we een ijverige bij tussen de stenen een gaatje uitdiepen. Bij thuiskomst ontdekt Heleen dat wij een pluimvoetbij hebben gezien. Bijzondere waarneming. Pluimvoetbij 02

We lopen kade afwaarts richting de Werfweg, met links mc Hells Angels (met gewoon langbaardgras) en rechts de Gemeentewerf Kampen.  De Werfweg heeft prachtige bloemrijke bermen vol vogelwikke, rode klaver, zachte ooievaarsbek, margriet, glad walstro, pastinaak, kraailook, smalle wikke, veldlathyrus, veldereprijs en  slibbladige ooievaarsbek. Het is altijd weer verrassend om te zien hoe de natuur perfecte kleurencomposities maakt. We zijn ook erg verguld met de vondst van goudhaver.Coolpix 036 Coolpix 040

Vervolgens rechtsaf de Industrieweg op richting Broshuis. We speuren langs stoepranden, muren en kleine stroken beplanting. Pand 13 ziet er verlaten uit. Het gaf ook deze ondernemer dus weinig geluk. Alhoewel er glanshaver op de oprit groeit, vinden we achter het pand bleekgele droogbloem.

Op een kale parkeerplek ontdekken we in de kleine openingen tussen de stelconplaten donkere vetmuur, perzikkruid, hopklaver en nog meer dappere plantjes. Het terreintje ontlokt aan Rudger de volgende uitspraak : ‘Je mag als natuur toch blij zijn dat je zo’n randje mag vullen en dan nog zoveel variatie aanbrengen!’

Tegen de drang tot voortbestaan is inderdaad geen kruid opgewassen: koninginnenkruid, Jacobs kruiskruid, klein kruiskruid, perzikkruid, muskuskaasjeskruid, kleverig kruiskruid, vijfvingerkruid, echt bitterkruid en bezemkruiskruid, ze kruisen deze avond, op de meest kale plekjes ons pad.

Het bezemkruiskruid is trouwens in de jaren ’60 pas ontdekt in Nederland. Het is een nieuwkomer uit Zuid-Afrika. Volgens Wikipedia is uit het verspreidingspatroon in Nederland wel duidelijk op te maken dat de zaden zich via het spoor verspreid hebben. Waar het Kamper treintje al niet goed voor is.

We vinden ook heelblaadjes (pulicaria dysenterica).  Deze plant, ook wel vlooienkruid genoemd, was de schrik voor vlooien. Vroeger werd de plant gebruikt tegen dysenterie, vandaar de soortaanduiding dysenterica. De plant heelblaadjes werd niet direct gebruikt tegen dysenterie maar tegen het insekt (de kleerluis), die deze ziekte overbrengt.

We lopen richting de IJssel, waar een buitendijks terreintje, dat we als vrij soortenrijk kenden inmiddels blijkt te zijn geasfalteerd 🙁  en voorzien van een stevig hekwerk. Niels oppert het plan om onder het hekwerk door te kruipen, maar gezien de vrije hoogte van 30-40 cm en het feit dat limbo dansen niet ons sterkste punt is, lopen we toch maar door naar Broshuis.  Broshuis, een fabrikant van opleggers, begeeft zich met succes op de internationale markt. Canadese kornoelje, engels raaigras, hongaarse raket, zeegroene rus en spaanse aak voelen zich er wel bij.

Naast en in de keurig gemaaide berm steekt toch nog van alles de kop op : hertshoornweegbree, schapenzuring, madeliefje, rode schijnspurrie, gewone hennepnetel, korrelganzevoet, kleine leeuwentand en stinkende gouwe.

We steken de weg over om bij de sloot langs het KWC terrein te speuren: gewone lelijkste melkdistel, volgens “Helenium”, blaartrekkende boterbloem, kluwenzuring, late guldenroede, hoogbejaard fluitenkruid…. En we turen ook iets hoger dan 10 cm van de grond: gewone esdoorn, gewone flier, es, en zwarte els.

Linksaf de Haatlanderdijk op. Rechts een mooie berm met hopklaver, goudgele honingklaver en liggende klaver, in eerste instantie geen klavertje vier, maar verderop staat nog rode en witte klaver.

Fijne druppeltjes regen gaan over in een stevige bui. Noteren van de plantennamen lukt alleen Niels nog. Als toetje krijgen we nog zwarte bes en oosterse karmozijn bes. Dan besluiten we via de Reigerweg / Industrieweg/Loswalweg weer naar de jachthaven de Riette terug te keren. We hebben in twee kilometerhokken waarnemingen gedaan, namelijk 189/508 (deels bekeken)en 189/509 (helemaal) . Dat leverde al met al 118 soorten en 139 soorten op. Een geslaagde avond !

Anton en Wim bedankt voor jullie aanbod om ons naar het Keteleiland te varen. Het Keteleiland laten we nog even op ons verlanglijstje staan.

 

 

 

Plantenwerkgroep: Excursie Kennemerduinen, zaterdag 6 juni 2015

collage Gonny

Nationaal park Zuid-Kennemerland oftewel de Kennemerduinen is een prachtige duingebied tussen IJmuiden in het noorden en Zandvoort en Haarlem/ Santpoort in het zuiden. Een heel bijzonder landschap met een kilometers breed duingebied. Deze duinen horen tot de van oorsprong kalkrijke duinen, dit gebied is immers mede ontstaan door de invloed van (kalkrijke) afzettingen van de (nu Oude) Rijn. En dat zie je ook in de vegetatie terug. Er zijn duingraslanden en duinheiden, plasjes en de zeereep. In al deze habitats vind je soorten die je buiten de duinen niet (snel) zult vinden. De flora is er gevarieerder dan in de kalkarmere duingebieden.

“Pappa, wat zijn die mensen aan het doen?”

“Klavertjes vier aan het zoeken”.

Het genoemde plantje hebben we niet gevonden maar wel het geluk van een stralende dag. Veel, vaak jonge gezinnen maken van de gelegenheid gebruik om hun vertier te zoeken bij de recreatieplas of in de duinen. Wij zijn rond 10.30 uur bij bezoekerscentrum De Kennemerduinen op traditionele wijze begonnen met ons kopje koffie/thee ‘met’ op het terras van het informatiecentrum waarna wij speurend onze tocht van ca 4 km aanvangen richting zee. De wandeling zal meer uren in beslag nemen en ondertussen genieten we volop van de dingen die wij onderweg tegenkomen.

ws Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 001   ws Heleen, foto Niels werkgroep in actie 2, foto Gonny Sleurink ws Gonny in actie, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 009

Langs het pad richting recreatieplas ‘t Wed staat onder andere zachte dravik, ijle dravik (mooi bij elkaar), veldbeemdgras (kegelvormige bloeiwijze, korte tong), ruw beemdgras (lange tong), schaduwgras, gestreepte witbol, kweek, hennepnetel, brandnetel, look zonder look, witte dovenetel, klimopereprijs, nagelkruid, Geum urbanum, familie van de roos, doornappel, zwaluwtong, hondsdraf, kleefkruid (grmmm), winterpostelein, drienerfmuur, varkensgras wat geen gras is maar een lid van de duizendknoopfamilie, zenegroen, bosaardbei, lelietje van dalen, gewone ereprijs, herderstasje, Jacobs kruiskruid, zandzegge, ruige scheefkelk (hoort bij kalkrijke duinen – rode lijstsoort), robertskruid, geel walstro, vlasbekje, akkerhoornbloem en verschillende soorten ruwbladigen. Bomen en heesters: hondsroos, hop, kruisbes, sneeuwbes, braam, wegedoorn, liguster, gewone vogelkers (Prunus padus), veldesdoorn, zomereik.

We vinden duinpiepers onder een boom: ws Duinpiepers, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 015

Een braamsluiper laat zijn mitrailleur-geluidje horen.

En we doen even een test of we de gevonden ruwbladigen goed hebben onthouden:

ws Ossentong, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 014Ossentong (Anchussa officinalis): paarsblauw, medium ruw blad, lancetvormig

ws Kromhals Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 004Kromhals (Anchusa arvensis): lichtblauw klein bloempje met krom halsje, stevig behaarde lancetvormige bladen.

ws Hondstong, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 005Hondstong (Cynoglossum officinale): roze paars bloempje, breder, minst ruwe blad, met duidelijke nerven

ws Slangenkruid, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 011Slangenkruid (Echium vulgare): langgerekte aar met roze/paarse knoppen en blauwe bloemen met meeldraden en stijl die ver buiten de bloem steekt.

Op Niels na, tuurlijk allemaal gezakt. Het valt niet mee!

ws uitzicht over 't Wed Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 021

Aan de oever van de plas horen en zien we de rugstreeppad. Er groeit koninginnenkruid, klein kruiskruid, reigersbek, een ondersoort van de dravik: de duindravik, Bromus (wat voedsel betekent) thominei, duinviooltje, zandhoornbloem, grauwe wilg, watermunt, kleine leeuwentand, duinrus (met duidelijk voelbare kamertjes in de stengel), wolfspoot, waterpunge, dwergzegge, waterbies, klein hoefblad, zeegroene rus, determinatie kenmerk: ver kruipende wortelstok – het bewijs daarvan graven we toch maar niet op, duinzwenkgras, greppelrus, zachte haver, kleine pimpernel, vleugeltjesbloem, fakkelgras (typische duinsoort, heeft dikke nerven).

We lopen nu tegen de binnenduinen aan: beboste strandwallen waarover www.natuurkennis.nl  het volgende zegt: duinstruwelen van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) huisvesten vaak vele nachtegalen (Luscinia megarhynchos). De ondergroei kent ook karakteristieke soorten zoals duinsalomonszegel (Polygonatum odoratum). Overigens behoren de eeuwenoude meidoorns en wegedoorns (Rhamnus cathartica) die hier en daar in de duinen staan waarschijnlijk tot de oudste organismen in de duinen. Andere typische struikgewassen zijn onder andere duinroos (Rosa pimpinellifolia), kruipwilg (Salix repens) en zuurbes (Berberis vulgaris). Maar ook dauwbraam (Rubus caesius) en wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) kunnen grote struwelen vormen.

De informatie klopt. We zijn alle genoemde soorten tegengekomen en rondom zingen de nachtegalen uit volle borst, waarbij het stemgeluid van Pavarotti verbleekt, maar helaas, we zullen ze geen enkele keer te zien krijgen. Het blijft een obzv-tje (onzichtbaar bekend zangvogeltje.)

Balsempopulier, kruipwilg, brosse melkdistel, wilde asperge en twee grote wijngaardslakken die elkaar voor het liefdesspel náást het pad gevonden hebben. Slimme plek, want een enkel lid van onze werkgroep heeft de reputatie wel eens ergens op te gaan staan waardoor een zo mooi moment  je levenseinde kan betekenen (lees: excursie plantenwerkgroep naar Teutoburgerwald 2014.)

ws Duinviooltje, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 040 ws Wijngaardslakken zorgen voor nageslacht, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 025 ws Duinsalomonszegel Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 006 werkgroep in actie, foto Gonny Sleurink

We strijken neer voor de meegebrachte lunch en genieten volop van de vogelzang rondom en lopen daarna verder richting een bosje van zwarte den. Deze bomen werden in het verleden aangeplant om het duinzand vast te houden. Het donkere groen vormt een mooi contrast met het witte, kalkrijke duinzand dat door natuurlijke verstuiving boven komt, waardoor een grotere diversiteit aan flora en fauna ontstaat. De braam tiert hier welig. Hij hopt met grote sprongen over de bodem waardoor andere planten weggedrukt worden. Bramenstruiken reageren goed op stikstof, onder andere veroorzaakt door de landbouw. Vergeten wikke, valse salie, bevernel, rolklaver, tijm, dolle kervel, heggerank, bezemkruiskruid, knolboterbloem.

Zwarte den Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 032 ws zandverstuiving Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 033 landschap, foto Gonny ws Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 034

Dan komen we in een nieuw gebied: droge duingraslanden met hier en daar een vennetje. In het zuiden zien we een groot kruis: de erebegraafplaats voor de in de oorlog gefusilleerde verzetsstrijders. In het noorden walmen de Hoogovens. Vliegtuigen draaien hun cirkel om te kunnen landen op Schiphol en hier …, hier is het ene oase van rust, bevestigd door een enkele passerende fietser.

Duinreigersbek, duinviooltje, ruig viooltje, kruipend stalkruid. Hertshoornweegbree, rode klaver, ruw walstro, geelhartje, parnassia, driedistel. De boomleeuwerik, de enige in de soort Lullula, laat zijn liedje horen. Hij kan niet anders! Ook zien we de duinpieper en de witte kwikstaart.

Bij het vennetje: zeegroene zegge, waternavel, zompvergeet-me-nietje, aarvederkruid, fijne waterranonkel, rode waterereprijs, rietorchis, moeraswespenorchis, ogentroost, duizendguldenkruid (nu nog in dubbeltjes formaat), wilde reseda. Veel waterjuffers. Een vogelkijkwand levert weinig bijzondere vogels op maar wel glad parelzaad, grauwe abeel, bos kruiskruid, bezemkruiskruid, en de nerfamarant, een zeldzame soort in de duinen. En last but not least: zeepkruid. Een blauwtje laat zich moeilijk fotograferen.

ws rode waterereprijs Plantenwerkgroep, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 035 orchis foto Gonny ws Blauwtje, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 038_cr ws Duinroos, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 023

Tot onze verbazing passeert ons op nog geen 20 meter een vos in een nonchalant drafje: ‘ik ben er niet, ik ben er niet’. Als hij ons gepasseerd is, zet hij het op een rennen wat verderop een haas verschrikt doet opspringen en wegstuiven. ws Vos, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 042

Wat ruist er door het struikgewas? Nog meer gedierte: een Schotse hooglander! Hmmm, toch maar even een ommetje maken.

 

In een nattige vallei: pinksterbloem, scherpe zegge,  waterweegbree, duivenkervel, bereklauw, drienervige zegge (zeldzaam buiten de duinen.) Misschien om te voorkomen dat hij zich ook elders vestigt gaat Niels er bovenop staan. Bitterling, strandduizendguldenkruid, akkermelkdistel, muurpeper, bilzekruid ( zeldzaam in de duinen)ws bilzekruid, foto Gonny Sleurink langbaardgras, zandkool.

En daar iestiedan! De zee. Wat een feest: zomaar op een losse zaterdagmiddag in het zonnetje proosten op een mooie dag in strandpaviljoen Parnassia!

En dan moeten we nog terug. Het is al half vijf. Met moeite nemen we afscheid van de zee en begeven onze inmiddels toch wel vermoeide voeten richting het oosten. Onderweg komen we nog langs voorjaarsganzerik, morgenster, walstro, bremraapws walstrobremraap, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 054, akelei, zwarte els, liggende klaver, ratelaar en, en ….

ws Hazelworm, excursie Kennemerduinen 6-6-2015 051

 

Hé: een hazelworm! Het bewuste dier ziet ineens 5 paar voeten om zich heen en blijft van de weeromstuit liggen op het pad. We kunnen hem mooi bekijken. Wat leuk!!

Verderop nemen we een sprong over een kolonie mieren op pad. Niet te lang blijven staan. Ik voel jeuk tot in m’n nek.

Geestelijk voldaan, maar de maag wil ook wat: we eten nog een hapje op een klein stationnetje in Overveen en keren huiswaarts waar Gonny om 22.45 uur de auto stilzet op het Meeuwenplein (om nog even in de sfeer van de dag te blijven.)

Tekst: Heleen Strikkers met dank aan Ellen van Knippenberg voor de opsomming van de soorten.

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Nabericht van Niels:

De waarnemingen van onze meer-dan-geslaagde excursie naar de Kennemerduinen staan op de site www.telmee.nl.. Al met al zagen we gisteren 226 verschillende soorten, een mooi resultaat!

Bijgaand een verspreidingskaartje van de hazelworm. Een leuke vondst is dat met andere woorden. De soort is wel uit die contreien bekend maar het gaat toch om een redelijk geïsoleerde populatie zo te zien. kaartje verspreidingsgebied Hazelworm

En ook bilzekruid is een zeldzaamheid, al komt die her en der in de duinen en het rivierengebied voor: http://www.verspreidingsatlas.nl/0642. Datzelfde geldt voor de nerfamarant, die bij de vogelkijkwand groeide: http://www.verspreidingsatlas.nl/1758. En voor de ruige scheefkelk helemaal: http://www.verspreidingsatlas.nl/0082. Buiten de duinen, Zuid-Limburg en enkele plekken in het rivierengebied vind je die haast niet. Leuke vondsten allemaal.

Lees meer: https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebied/nationaal-park-zuid-kennemerland/over-dit-gebied

Plantenwerkgroep, excursie naar De Zande 27 mei 2015

Kaartje De Zande

Met een kleine groep van 6 personen vertrekken we richting De Zande, buurtschap op Kamperveen, liggend aan De Hank, een zijtak van de IJssel. Het weer is ons gunstig gezind. We parkeren in de Hoofdstraat, waarna het gezelschap wordt uitgebreid met Jan op de fiets. We starten meteen met het inventariseren van alle wilde planten in het smalle stukje berm voor de woningen. Daar vinden we veel algemeen voorkomende soorten, zoals kleine weegbree, akkerkers, zandraket, speerdistel, scherpe en kruipende boterbloem, vogelmuur, paarse dovenetel en …. teveel om op te noemen.

Na  50 meter en zeker drie kwartier verder, hebben we slechts het stukje berm voor de prachtige boerderij nr. 43 en de berm bij de overburen geïnventariseerd en tellen we al meer dan 45 soorten. Onvoorstelbaar. Van de bijna vertrekkende vroegeling tot het amper gearriveerde duizendblad.

De bermen, waar we even later langs lopen worden duidelijk geklepeld. Dit houdt in, dat het maaisel blijft liggen. Hierdoor ontstaat stikstofrijke grond waar soorten als brandnetel, fluitenkruid en zuring de overhand krijgen. Maait men en haalt men het maaisel weg, dan wordt de grond armer en de flora veel gevarieerder. En meer variatie in de flora zorgt ook voor meer variatie in de fauna.

Nu moet ik eerlijk zeggen, dat ik van een berm met bloeiend fluitenkruid altijd helemaal blij word. Na dit verhaal van Niels bekijk ik het toch met andere ogen. Alhoewel het fluitenkruid er ook niets aan kan doen. Het fluitenkruid dankt zijn naam aan het feit dat van de stengel fluitjes gemaakt kunnen worden. Om een fluit te maken moet bij een holle fluitenkruidpijp, met onderaan een dichte knoop, ongeveer halverwege een snee overlangs gemaakt worden. Oefenmateriaal genoeg.

De plant werd door Jac. P. Thijsse ook wel ‘Hollands kant’ genoemd. Een passende naam voor deze plant met prachtige bloemschermen.

We passeren het Jachthuis met bordje “Rust Nu”.  Kopje koffie ?? Helaas is het gesloten. We drentelen verder langs de brosse melkdistel, uitstaande melde, kleine brandnetel. Langs een oprit waar de roze winterpostelein volop in bloei staat. We mijmeren nog even bij een “stevige” boerderij, die te koop staat.

Gedurende de hele wandeling legt Niels ons met veel geduld de verschillen uit tussen de diverse grassoorten. De grassenfamilie omvat 8000 soorten, waarvan er ca. 140 in Nederland te vinden zijn. Deze avond zullen we er zeker 20 tegen komen en de determinatie ervan betekent goed kijken naar haren, tongetjes, vliesjes en kaf naalden. De grassen hebben zwierige namen zoals: glanshaver (gewone-), zachte en ijle dravik, fioringras, rood zwenkgras en grote vossenstaart. Kropaar valt een beetje uit de toon.

De Zande blijkt een soort De Wijk voor de ooievaarsbekfamilie, we vinden er kleine ooievaarsbek, rondbladige ooievaarsbek, zachte ooievaarsbek, bermooievaarsbek, bloedooievaarsbek en slipbladige ooievaarsbek. Geen kikkerbeet te bekennen.

We pikken nog wel een slootkant mee met o.a. gele lis, grote egelskop, grote lisdodde, blaartrekkende boterbloem, klein kroos en veelwortelig kroos.

Bij de laatste boerderij aan de linkerkant van de weg groeit een forse roomse kervel, welke heerlijk naar anijs ruikt. In een kleine boomspiegel verderop vinden we nog winterpostelein, zwaluwtong en vijfvingerkruid.

Dan  lopen we tegen de provinciale weg 763 aan. Hier ligt een bergje zand, waarop weer allerlei leuke soorten te vinden zijn.: vlasbekje, veldsla, knoopkruid, gladwalstro, dagkoekoeksbloem, herfstleeuwentand. Ook het boerenwormkruid is present. Aebe kan ons vertellen dat de bladen hiervan gedroogd en gerookt kunnen worden. Je wordt er lekker rustig van. De bijen in ieder geval en het ruikt ook nog lekker.

We slaan linksaf richting de N50. Aan de linkerkant een piepklein bosje, waar we waarschijnlijk al honderden keren voorbij zijn gereden en dat we nu pas goed bekijken. Grauwe wilgen afgewisseld met gewone esdoorn en prachtig bloeiende meidoornstruiken. Hop slingert er doorheen en gewone vogelmelk versiert de groene bodem nog eens extra.

Niels gaat op zoek naar het Deens lepelblad. Onder het viaduct van de Hanzelijn ontdekken we deze zoutbestendige plant. Hertshoornweegbree, ook niet bang voor een beetje zout, zijn we al eerder tegengekomen. Het verspreidingskaartje van deze planten geeft perfect het Nederlands wegennet weer.

We slaan linksaf en lopen langs het talud van de N50 : gele morgenster, oeverzegge, ringelwikke…..

En aangezien Gonny en ik voor het donker thuis moeten zijn,  breit Toos een eind aan dit verslag:

Voor Ellen en Gonny: jullie hebben het hoogtepunt van de avond gemist:

Ruw parelzaad tegen het talud van de N50 ter hoogte van het 70km knipperlicht (voor als je nog op herkansing wil). Een ernstig bedreigd eenjarig akkeronkruid van arme zandgronden. Ooit als zaad meegevoerd met het zand waaruit het zandlichaam van de weg is opgebouwd???

Verder zagen we nog na jullie vertrek: klein hoefblad, veld lathyrus, tweerijige zegge, zwanenbloem, pinksterbloem, scherpe zegge, pitrus, teunisbloem (zonder bloem niet te zeggen welke), waterkers, sterrenkroos en langbaardgras. De teller van die avond stond op 178 soorten (!!) Dat lijkt me een record van onze avondexcursies.

bermooievaarsbek, foto Gonny Sleurink Niels legt uit hoe je gras determineert veld met klaprozenroomse kervel, foto Gonny Sleurink

Test: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Gonny Sleurink

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Zalkerbos 19-4-2015

Vroege lentebloeiers in het Zalkerbos

Collage Zalkerbos, Gonny Sleurink

Op 19 april,  een mooie zondagochtend, bezochten we met een club van 8 deelnemers het Zalkerbos als start van het nieuwe seizoen van de plantenwerkgroep. Een mooie tijd van het jaar, met alle voorjaarsbloeiers in het bos. Een bijzondere omgeving: zo’n glooiend uiterwaarden landschap zie je niet op zoveel plaatsen in Nederland;  goed gezelschap en goed weer.

Het Zalkerbos is een oud hardhoutooibos van gemengd Essen-Iepenhakhout en uniek in Nederland door zijn ligging op een stroomrug  in de uiterwaarden.

Wat informatie over de cultuurhistorie en de ontstaansgeschiedenis van de bodem:

Het dorp Zalk wordt voor het eerst genoemd in 1213. De geschiedenis van de dorp is nauw verweven met het vroeger iets zuidelijk gelegen 13e-eeuwse versterkte huis van de heren van Buckhorst. Het grondgebied van Zalk was eeuwen bezit van de heren van Buckhorst, die ook het aan de overkant van de IJssel gelegen Veecaten beheersten. Bij de Grondwet van 1848 kwam pas een einde aan de invloed van de heren van Zalk en Veecaten. Het landhuis Buckhorst is kort na 1839 gesloopt.

Zalk ligt op een oeverwal:  een langgerekte zandige hoogte die langs de oever van de rivier ligt. Aan de noordkant volgt deze de dijk, die waarschijnlijk op de rand van de oeverwal is aangelegd. Buiten de dijk, in de uiterwaarden, ligt het landschap van meanderruggen en geulen (zeldzaam landschapstype: ‘kronkelwaard’), waarvan de meanderruggen eveneens zandig zijn, maar veel smaller dan de oeverwal. De geulen zijn kleiig. Het Zalkerbos ligt op zo’n meanderrug.

De hele Zalkerwaard was in de 17e en begin 18e eeuw voor het grootste gedeelte bedekt met bos. Volgens kaarten uit 1664, 1712 en 1754 reikte het bos tot aan de oevers. Alleen langs de dijk was een zone met gras of bouwland. Het voortbestaan van een hardhoutooibos in uiterwaarden  die elders vooral als weiland in gebruik raakten, is waarschijnlijk te danken aan het feit dat het bos eigendom was van de Heeren van Buckhorst die de bestemming van het gebied als bos handhaafden. Uit oude kaarten valt op te maken dat  zij van het Zalkerbos een buiten maakten:  in de 18e eeuw ontstond een stelsel van rechte lanen met hoge bomen (waarschijnlijk beuken). Eén van de paden doorsneed het Zalkerbos van oost naar west en kwam uit bij het Bergje, een rustplaats tijdens uitstapjes naar het bos.

Maar de omvang van het bos stond wel onder druk. De dijkdoorbraken van 1753 hebben er wellicht aan bijgedragen dat delen van het bos in de loop van de volgende decennia werden gerooid. Het renvooi van de kaart van Leenen (1754) vermeldt:

“…dat gemelde Salcker Bosch seer tot nadeel der dijken, daartegeover is trekkende, omdat het houtgewas den stroom bij hooge rivier, naar de Mastebroeker sijde te veel wordt oover gedrongen en de dijken in groot gevaar bracht, te meer omdat de aanwas agter gemelde Bosch en bogt meer en meer toeneemt, door den swaaren afbreuk tegen de Salcker kerk: om welker reedenen het obsolut noodzakkelijk is dat gemelde Bosch sonder uijtstel wordt geremoveert, en geheel uijtgeroejt…”

RWS heeft ruimte voor de rivier niet van een vreemde, maar het uitroeien van het Zalkerbos staat nu gelukkig niet op de agenda. Integendeel, het gaat waarschijnlijk nog wat uitgebreid worden.

De belangrijkste historische functie van het essenhakhout was de houtproductie. De toepassingen en kwaliteit van het hout waren in veel opzichten vergelijkbaar met die van het hout uit eikenhakhoutbossen. Het essenhakhout had echter een veel grotere opbrengst. Hakhoutbeheer met een korte omlooptijd in de lager gelegen geulen leverde ‘kleinhout’ of ‘beentjeshout’ op, dat onder andere werd gebruikt als aanmaakhout, roerstokken, bonenstaken, palen voor perceelscheidingen en jukken om takken van fruitbomen te ondersteunen. Het zwaardere hout, dat in langere kapcycli op de meanderruggen werd gewonnen, werd gebruikt als brandhout maar ook wel als timmerhout voor meubelmakers. Specifieke toepassingen van het fijndradige, maar zeer taaie essenhout waren gereedschapsstelen en timmerhout voor rijtuigbouwers. Het hout van de, ook nu nog in het essenhakhout voorkomende sleedoorn, werd gebruikt voor het vervaardigen van wandelstokken en stokken voor zwepen.

En wat zagen wij zoal behalve de eerder genoemde essen(stobben), iepen en de nog bloeiden sleedoorn.

  Zalkerbos, foto Heleen Strikkers

Blauwe druifjes: een iets andere soort dan de druifjes in de tuin, maar toch is het niet zeker of de blauwe druifjes met de heeren van Buckhorst als  stinseplanten mee zijn gekomen, of van oorsprong in dit gebied thuis horen. Hetzelfde geldt voor holwortel (stinseplant?) en voorjaarhelmbloem (ook wel vinger helmbloem, inheems?) die we elk aan een eigen zijde van een bospad aantroffen. Het verschil zit hem bovengronds in de schutbladeren: handvormig (vingerhelmbloem) of een beetje toegespitst eivormig (holwortel). En de holwortel is in alles wat groter en grover dan de vingerhelmbloem.

bosanemoon, foto Heleen Strikkers

bosanemoon

foto Heleen Strikkers

vingerhelmbloem

 

 

Blauwe druifje, Muscari botryoides
Blauwe druifje, Muscari botryoides

De verschillende loken waren nog (lang) niet in bloei: slangenlook met brede bladeren (doen in de verte wel denken aan de bladeren van kropaar), moeslook (wat smaller en bijna afgerond driehoekig  blad) en kraailook dat vooraan bij de dijk stond en meer een kleine prei of uit de kluiten gewassen bieslook is. Vogelmelk, ook niet in bloei, heeft een witte streep in het blad zoals ook crocussen vaak hebben.

Wel in bloei: drie verschillende soorten dovenetels:  de witte, de gevlekte – niet per sé met een vlek op het blad, qua vorm van blad en bloem sterk lijkend op de witte, maar dan paars, en de paarse die in alles veel kleiner is dan de gevlekte en met meer afgeronde bladeren. Bovendien hebben de paarse en gevlekte een verschillende biotoop: de gevlekte hoort echt in het bos terwijl de paarse een veel ruimere verspreiding kent op wat ruigere en/of verstoorde gronden.

Gevlekte dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Gevlekte dovenetel

Paarse dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Paarse dovenetel

Witte dovenetel, foto: Heleen Strikkers

Witte dovenetel

 

Schaafstro begon al weer aardig te groeien. De populatie in het bos is genetisch gelijk, want gegroeid uit één wortelstelsel. Die genetische eenvormigheid maakt planten kwetsbaar voor ziektes. Als er één gaat, gaan ze allemaal. Net als varens en heermoes plant schaafstro zich voort via wortelstokken, zoals in het Zalkerbos, of via sporen  voor de lange afstanden in tijd en plaats. Lekker voor konijnen en bruikbaar als een heel fijn soort ‘schuurpapier’ om het riet van een klarinet of hobo bij te werken.

Toos vindt een oude Aardster, foto Heleen Strikkers Gulden boterbloem, foto Heleen Strikkers hakhout en Schaafstro, foto Heleen Strikkers Hondsdraf maarts viooltje, foto Heleen Strikkers mannelijke aar van Schaafstro, foto Heleen Strikkers

Wel bloeiend: de bos planten  maartsviooltje, bosanemoon, grote muur en gulden boterbloem en het algemeen voorkomende speenkruid met speenvormige wortelknolletjes voor de voortplanting.

Op de terugweg bij de fietsen/auto speurden we ook nog even met succes naar de knolboterbloem met de kenmerkend teruggeslagen kelkblaadjes.

Al met al was het een prima start van het seizoen! Zulke dagen smaken naar meer.

En over smaak gesproken: de veronderstelling was dat pesto, alleen van zevenblad toch niet zo heel lekker is: tip: combineren met spinazieblad (of dan toch maar helemaal niet aan beginnen). Een onbetwiste tip: stamppot van vogelmuur i.p.v. rauwe raapstelen moet juist wel erg lekker zijn. Moet je natuurlijk wel een plekje weten met vogelmuur in overvloed en ook een beetje forse planten….

Via de mail kregen we nog een toegift van Niels:

  • moeslook (Allium oleraceum, stond er dit jaar vrij veel in het bos, tussen de slangenlook, die heet Allium scorodoprasum). Moeslook heeft een met merg gevulde bladschijf. Kraailook (Allium vineale, staat op de dijk) heeft een holle bladschijf.
  • blauwe druifjes (Muscari botryoides) heeft volwassen, vruchtbare bloemen die bolrond zijn. De planten hebben 2-3 (-4) bladen die 5-12 mm breed zijn. De bloeiwijze is ten slotte tamelijk losbloemig. Zijn tuinplant-evenbeeld is de Langbladige druifhyacint (Muscari armeniacum). Die heeft bloemen die meer langwerpig zijn (omgekeerd eivormig tot langwerpig-urnvormig), en meer, namelijk (2-) 3-5 (-7) bladen die 1-10 mm breed zijn, dus in de regel wat smaller dan blauwe druifjes. De bloeiwijze is ten slotte tamelijk dichtbloemig.

Bronnen:

  • Hitorisch-geomorfologische ontwikkeling van enkele riviertrajecten langs de IJssel, G.J. Maas, DLO-Staring Centrum, Wageningen, 1998
  • http://www.natuurkennis.nl/
  • Natuur in de IJsseldelta, 1. Het Zalkerbos, drs. G.J. Eenkhoorn, Vereniging voor Natuurstudie en –bescherming ‘IJsseldelta’ 1985

Verslag: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

Plantenwerkgroep, excursie Amerongse Bovenpolder 30-08-2014

De Utrechtse Heuvelrug loopt als een hoge zandrug van de Grebbeberg bij Rhenen tot aan het Gooimeer bij Huizen. De stuwwal met zijn bossen en heidevelden rijst op uit het vlakke agrarische landschap. Het zuidelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug is aangewezen als Nationaal Park (ca. 10.000 ha). Naast de stuwwal horen ook de uiterwaarden van Amerongen bij het Nationaal Park.

Het grootste deel van de Amerongse Bovenpolder wordt gevormd door ‘wilde riviernatuur’.  Begrazing door paarden en runderen en periodieke overstromingen hebben het landschap vormgegeven. Rond 2000 is er een zogenaamd kwelmoeras aangelegd. Dat moeras wordt gevoed met regenwater dat in de zandige heuvelrug valt en na een heel lange tijd als schoon water aan de randen van de stuwwal naar buiten sijpelt.  Daarnaast heeft de Nederrijn in de loop der tijden klei en zand aangevoerd en zo gezorgd voor een grote afwisseling in de brede uiterwaarden, waardoor er een grote verscheidenheid aan planten kan gedijen.

In dit prachtige gebied starten we onze wandeling op de Lekdijk. Echter niet voordat we  koffie met iets lekkers, volgens het aloude gebruik van de plantengroep, hebben genuttigd. Dit keer op stand en wel in de paardenstallen van Kasteel Amerongen. 

De weergoden zijn ons vandaag helaas niet zo goed gezind. Het regent en blijft regenen. Aangezien we niet van suiker zijn trekken we, voor zover aanwezig !!!,  laarzen en regenpakken aan.  Een bijzonder uitgedost gezelschap struint even later in de uiterwaarden van de Amerongse Bovenpolder.

 

Prachtige (erg) natte gebieden met plassen waar lepelaars huizen en graslanden waar ganzen zich thuis voelen. 

Het uitzicht is overal wijds met echt Hollandse luchten, vandaag in 50 tinten grijs.

We verlaten de Rijnsteeg om rechtsaf richting de Hank te lopen.  De Hank is een oude zijtak van de rivier. Het is een kwetsbaar gebied. Daarom noteert Niels heel voorzichtig de eerste waarnemingen. Ik doe een poging om het een en ander te noteren, maar mijn notitieboekje is in een mum van tijd doornat. Gelukkig kan ik later op Telmee.nl alle soorten die we gezien hebben teruglezen, met dank aan Niels en de moderne techniek.

Bij een prachtige plas zien we een groep lepelaars en vinden we knikkend tandzaad, zwart tandzaad. (bij de Nederrijn komen we later ook veerdelig tandzaad tegen, helaas niet het zeldzame riviertandzaad)moerasvergeet- me- nietje, het sierlijke grote waterweegbree, grote kattenstaart, rode waterereprijs, slanke waterkers en ook weer een stel russen: zomprus, platte rus en zeegroene rus.  Niels staat bijna op de kop in de sloot om ons klein kroos te laten zien.  Klein kroos met 1 wortel, veelwortelig kroos met meerdere wortels. Echt zo moeilijk is het niet.

 

Verderop staan verschillende wilgen bij elkaar. Een katwilg, schietwilg, boswilg (ook wel waterwilg genoemd) en grauwe wilg. Mooi om goed de verschillende te kunnen zien en nu nog onthouden.  De eenstijlige meidoorn, volop aanwezig langs de wandelroute,  is rijkelijk getooid met haar rode bessen een lust voor het oog.

We volgen de route van de rode paaltjes. Linksaf, rechtsaf, bruggetje over, door hoog gras, rechtsaf, over het hek , langs het prikkeldraad, weer een bruggetje, stukje weiland door,  weer een bruggetje…….!   U begrijpt het al. Een aan te bevelen afwisselende wandelroute.  De graslanden wisselen af met waterpartijen, wilgenstruweel en moerasachtige delen.

Een veld met watermunt en moeraswalstro geeft een prachtig plaatje. Helaas is fotograferen geen optie met al die regen. Het is oppassen geblazen . Soms zak je plotseling diep weg in het moerassige gebied.  Wel of geen sloot is niet goed te onderscheiden. Het natte gedeelte wordt afgewisseld door hoger gelegen graslanden, waar we het madeliefje gelukkig ook weer tegenkomen. Verder Europese hanenpoot, gewone rolklaver, wilde cichorei en een ruige leeuwentand. De laatste is vrij zeldzaam. We nemen voor de zekerheid een blad mee om te zien of deze gegaffelde haren bezit. Thuisgekomen kan ik constateren dat de bladrand aan twee kanten haren heeft. Gegaffeld ?

De meegebrachte boterham eten  we zittend op het doorweekte grasland naast  felgekleurd Groot kaasjeskruid.  Hollandse koeien komen nieuwsgierig bij ons kijken. Hun warme adem voelt aangenaam in mijn nek.  Een valk staat hoog in de lucht te bidden, vast niet voor mooier weer.

Na de lunch lopen we over het bruggetje over De Hank.  We besluiten niet verder  westwaarts te wandelen omdat de regen niet van ophouden weet. We soppen richting de Nederrijn.  Om vervolgens langs de rivier richting het veerpont  en via de Rijnsteeg  weer terug te keren naar het plaatsje Amerongen.  We helpen elkaar over en  onder het prikkeldraad door.

Bij de rivier is het uitzicht magnifiek.  Schilder Voerman zou direct geïnspireerd raken.  Jammer van de groep caravans aan de overkant.

Bij de rivier vinden we een prachtige border met reuzebalsemien,  goudgele honingklaver, veerdelig tandzaad, boerenwormkruid, wilde bertram, akkermelkdistel, rood zwenkgras en waterzuring.

Langs de rivier slenterend komen we nog kalmoes, dauwbraam, kattendoorn, rode ogentroost, blauw glidkruid, late stekelnoot (z), watermunt en hertsmunt (z) tegen. 

Bij het veer aangekomen, waar zacht vetkruid (z) en sikkelklaver staat,  laat Toos ons nog een prachtige oranje balsemien zien.   Oeps, daar komt een boswachter van Staatsbosbeheer aangereden.  Hij blijft dominant aanwezig , duidelijk houdt hij in de gaten wat we uitspoken.  Het volgende gebied langs de rivier is immers verboden terrein.  En eerlijk gezegd  denk ik dat we net ook op verboden terrein hebben gelopen (gezien het prikkeldraad). We lopen netjes de verharde Rijnsteeg op en even later rijdt de alerte boswachter ons weer voorbij.

Langs deze weg staan  veel meidoornstruiken vol rode bessen, vlier met zijn trossen paarsrode vruchten, wilde kardinaalsmuts, zoete kers, okkernoot, een supermarkt voor de dieren.

Einde middag bereiken we de parkeerplaats. HET IS DROOG.  We ontdoen ons van het natte plastic en gaan op zoek naar een gezellig restaurantje om op te warmen. Mocht u ooit in Amerongen komen, dan is het goed toeven in de Herenkamer van Café Buitenlust. Na een lekkere maaltijd vertrekken we voldaan richting Kampen en kijken we ondanks de vele regenbuien terug op een zeer geslaagde dag met een eindresultaat van 175 soorten wilde planten !!!! Teveel om hier allemaal op te noemen.

Tekst: Ellen van Knippenberg

Foto’s Gonny Sleurink

Plantenwerkgroep, excursie Ramspol 20-8-2014: heel veel pioniers

Op woensdagavond 20 augustus vertrokken we met ons 4-en naar Ramspol, de plek waar pas geleden nog de fundering stond van de oude brug. Daar voegde zich nog een 5e excursiegenoot bij ons. Het was er drassig en nat dankzij de vele regen van de afgelopen weken. Maar die avond was het droog en hadden we een prachtige zonsondergang achter de brug.

  

Op de site van wilde-planten.nl staan vaak mooie oude tekeningen uit de Flora Batava van 18xx (naast, regelmatig, foto’s van o.a. Niels). Alleen van Zwart tandzaad ontbreekt een oude tekening, omdat deze soort in Nederland pas is ingeburgerd tussen 1900 – 1924.

De nazomer is ook goed voor Meldes en Ganzenvoeten. We konden weer even repeteren: bij Melde zijn de onderste paar bladeren (of de lidtekens daarvan als ze al verdwenen zijn) tegenoverstaand, bij Ganzenvoeten niet. We zagen Stippelganzenvoet met bladlobben die geleidelijk naar het eind van het blad steeds smaller worden en Melganzenvoet, waar de bladeren sterk veranderlijk zijn, maar vaak melig behaard (overigens komt mel van meel: vroeger werden de zaden wel tot meel vermalen). Bij Uitstaande melde is de hoek die het blad maakt t.o.v. de stengel niet haaks, maar  schuin (zeg 135%), Rode ganzenvoet heeft glimmende bladeren, Zeegroene ganzenvoet, met een rood aangelopen steel en bladeren die aan de onderkant wit zijn. (En dan sla ik de Spiesmelde nog even over…)

    

Ook melkdistels waren in allerlei vormen aanwezig: akkermelkdistel, gewone melkdistel, bekend van de tuin, brosse of ruwe melkdistel met glanzend blad en de eerste moerasmelkdistel die we zagen was te herkennen aan het spiesvormige blad, maar verder piep klein. Later zagen we moerasmelkdistels  in volle glorie tussen de 2 en 3 meter hoog. 

De Heukels Flora kwam er aan te pas om 2 Teunisbloemen juist op naam te brengen (Middelste en een kruising van de Middelste en de grote) en 2 Basterdwederiken (Kantige en Beklierde).

Andere leuke soorten vond ik  Goudzuring, Gespleten en Gewone hennepnetel (vanwege het onderscheid), Blauw glidkruid, Rode waterereprijs, en Aardbeiklaver.

Onze topper was Krielparnassia of Sierlijke vetmuur. Aanvankelijk een raadsel (‘waar kijken we hier eigenlijk naar?’), omdat we vooral plakken slierten met vruchtjes daaraan zagen.  Het duurde even voordat we besloten dat de ‘grassprietjes’ die er soms bij stonden, de bladeren waren en we uiteindelijk ook nog een paar bloemen vonden. Toen we hem eenmaal op naam hadden gebracht hebben we net zo lang doorgezocht tot we hem in 2 kilometer hokken hadden. Het grootste gedeelte van wat we gezien hadden stond vrij nat, deze vonden we in een droger stuk met o.a. Nagelkruid, Dagkoekoeksbloem en Fluitekruid. (Uit wilde-planten.nl: Sierlijk vetmuur: rode lijst 2012, kwetsbaar, trend sinds 1950: sterk afgenomen, vrij zeldzaam, oorspronkelijk inheems.)

Daarna probeerden we onze lijst nog met een madeliefje compleet te maken, maar dat is niet gelukt. Dan maar thuis in het grasveld!

Al met al was het een heerlijke rustige zomeravond avond, begeleid door het geluid van jonge meerkoeten en een of ander rietvogeltje en op de achtergrond het verkeer dat over de nieuwe brug raasde, maar wat eigenlijk langs ons heen ging, doordat we ons zo concentreerden op wat we voor onze voeten vonden…

Tekst: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink

 

 

Plantenwerkgroep, excursie Lindevallei 22-6-2014

Op zondagmorgen 22 juni vertrokken we met z’n zessen vanaf het Meeuwenplein richting Friesland om een kijkje te nemen in de Lindevallei. De Linde (Lende volgens de Friezen) is een riviertje dat gedeeltelijk de natuurlijke grens vormt tussen de provincies Overijssel en Friesland. Het voert sinds jaar en dag water van het Drents plateau af naar het IJsselmeer. Voor de inpolderingen mondde de rivier uit in de Zuiderzee bij Kuinre.

De Linde ligt in een dal dat tijdens de laatste ijstijd door een gletsjertong is uitgesleten. Het dal is in latere tijden met hoogveen bekleed geraakt. Aan het eind van de achttiende eeuw werd hier veel turf gewonnen. Hier en daar zijn nog blauwgraslanden en trilvenen te vinden. Veel van deze terreinen zijn inmiddels in beheer genomen door het Fryske Gea. De Lendevallei vormt thans een natuurlijke verbinding tussen het Nationaal Park Weerribben en het natuurreservaat Rottige Meente. 

Aangekomen in Oldemarkt mislukte de gebruikelijke poging tot het nuttigen van het traditionele appelgebak met koffie jammerlijk. Doorgereden dan maar, via Ossenzijl, naar de poort van Friesland: Wolvega. Ook in deze Friese metropool behoorde een warm welkom niet tot de mogelijkheden. Na een korte check in het centrum werd besloten om terug te rijden naar de Holland Inn, een restaurant aan het begin van de bebouwing, waarvan de naam enige grandeur deed vermoeden.

De werkelijkheid was anders, het vermoeden begon te rijzen, dat we in een chique gaarkeuken van een belendend rusthuis waren beland. Eenmaal gezeten werd ons alras en bits medegedeeld dat we het door ons bestelde appelgebak wel konden vergeten. Apfelstrudel hadden ze en niks anders. Duits gebak in een Fries rusthuis? Waar waren we in hemelsnaam beland? Tot iemand enthousiast (Gonny, Heleen?) uitriep: “Ik zag twee gewone mensen!” Waarmee de eerste bijzondere waarneming op Friese bodem een feit was. De apfelstrudel, het dient gemeld, was ‘Deutschgründlich’ bereid en smaakte dientengevolge ‘hervorragend’.

Alvorens te vertrekken zagen we in het zaaltje ernaast nog enkele verpleegkundigen, die verkleed een zaaltje ouderen trachtten te vermaken. We noteerden hier een kikker, een ezel en een niet nader te determineren koe-achtig wezen van onbestemde kleur. Lol!

 Even later stapten we uit op een parkeerplaats, zijnde een oud stukje provinciale weg. Op de brug alhier startten we onze excursie. Het was half bewolkt en zo’n 20 graden. Vanaf de brug hadden we uitzicht op een prachtig landschap. De zich door dit landschap meanderende Linde was omgeven door hooilanden. Hier en daar een nat stukje veen. Hollandse wolkenluchten maakten het prachtige panorama compleet. Aan de overkant van de weg bevond zich een veldje vol reuzenberenklauwen aan de Linde. De eerste plant die aan onze kant de aandacht trok was een forse grote teunisbloem. Ook vonden we hier een witte variant van de zachte ooievaarsbek en tevens wilde framboos, vogelwikke en klein streepzaad. 

Overig: biggenkruid, boskruiskruid, grote ratelaar met bleke schutbladeren (bij kleine ratelaar zijn deze lichtgroen), Japanse knoop, kropaar, grote klis, groot hoefblad, St. Janskruid, kleine klaver, zachte ooievaarsbek: afstaande haren op de stengel in tegenstelling tot kleine ooievaarsbek met aanliggende haren.

      

Even verderop gingen we het veld in en passeerden alras de restanten van de Blessebrug- schans, die in vroeger tijden een onderdeel vormde van de Lindelinie. Een verdedigingslinie door de Friezen aangelegd tegen de aanvallen van de legers van de bisschop van Münster, beter bekend als ‘Bommen Berend’. In het rampjaar 1672, nadat Franse en Engelse legers ons aanvielen, zag deze onverlaat zijn kans schoon. Als antwoord daarop werd de gehele Lindevallei onder water gezet en kon deze laffe kerkvorst naar zijn bisdom terugkeren.

We zagen in de omgeving van de schans o.a. ruwe bies, moeraswalstro, koninginnenkruid en moerasandoorn. Ook vonden we een dikbehaarde rups van de grote beervlinder.

Bijzondere vondst: de paddenrus (Juncus subnodulosus). Opvallend kenmerk: De generatieve stengels zijn onder de bloeiwijze hol en hebben op regelmatige afstand dwarse tussenschotten.

Overig: pitrus, gele waterkers, biezenknoppen, wolfskers, moerasrolklaver, ruwe bies, liesgras (Glyseria maxima), watertorkruid, moerasspiraea, kale jonker

Hierna staken we de provinciale weg over en vervolgden we onze tocht over het fietspad. Erlangs vonden we een prachtige groeiplaats van de steenanjer. We liepen daarna een boerenwegje op met wilgenroosje en boskruiskruid. Bij de overgang van de spoorweg Zwolle – Leeuwarden groeide het akkerviooltje. Even later passeerden we een kanaal dat onder de A32 doorliep en vonden hier de witte vorm van het muskuskaasjeskruid. De mevrouw die hier breeduit zat te hengelen trok aller aandacht. We konden niet nalaten bewonderende blikken te laten vallen op het robuuste visstoeltje, dat vermoedelijk van degelijke, vooroorlogse makelij was. Sommige beelden raak je niet kwijt!

   

Een paar schreden verderop zegen we allen neer in het gras met uitzicht op een wederom prachtig landschap. Een uitgelezen lunchplek! Het plasje waaraan we zaten was vol krabbenscheer gegroeid, een indicator voor de verlanding. Na een kort tochtje door manshoog gras liepen we verder om een poging te doen een grote plas te ronden. Vreemde jodelgeluiden, afgewisseld met het geroep van een koekoek begeleidden ons op onze weg. Niels veronderstelde dat al deze geluiden wel eens van een koekoek afkomstig zouden kunnen zijn, maar niemand kon dit bevestigen. Tot we ze zagen vliegen. Drie koekoeken maar liefst! Kale jonker, moerasspirea en waterkruiskruid omzoomden het pad waarover we ons voortbewogen.

       

Almaar verder liepen we over het pad dat ons om de plas moest leiden. Maar kon dat eigenlijk wel? Verontrustend was wel dat we alle wandelaars, die ons onderweg hadden ingehaald, op hun schreden zagen terugkeren. Bij navraag bleek dat de plas inderdaad te ronden viel. “Als je maar volhoudt en zo” luidde het monter.

Uiteindelijk bereikten we de afslag Wolvega van de snelweg Meppel – Leeuwarden. Hier groeide wederik en vonden we een mooi te fotograferen jacobsvlinder. Toen bleek dat we niet alleen ver van huis, maar erger ver van onze auto’s waren afgedwaald. We waren ten noorden van Wolvega beland en moesten derhalve eerst deze stad nemen teneinde huiswaarts te kunnen keren. Pffftttt, maar de ijsjes van Ellen brachten halverwege uitkomst. Onderweg scoorden we in de mooi ingezaaide bermen van Wolvega nog gele kamille, muskuskaasjeskruid en ossentong. Rond zes uur werden we opgepikt door onze chauffeurs Niels en Gonny, die vooruit waren gesneld.

’s Nachts in bed bedacht ik me nog wat het een leuke dag het was: lekker weer, gezellie, stengelomvattende blaadjes, opstaande randjes, gespleten stampertjes, stijve afstaande haartjes, omgekrulde bladpuntjes en spiraalvormi . . . . . . zzzzzzzzzzz.

 

Verslag: Cor Nagelmaeker

 

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Met dank aan: Niels Jeurink, Ellen van Knippenberg en Toos Lodder

 

Overige vondsten onderweg:

laurierwilg, cichorei, boskruiskruid, hennegras (Calamagrostis canescens), vuilboom of sporkehout, kleine leeuwenklauw, akkerviooltje, harig vingergras, klein vogelmuur, bleekgele droogbloem, klein kruiskruid, heermoes, greppelrus, krabbenscheer, katwilg, grauwe wilg, vreemd verkeer

langs de Linde:

egelboterbloem, moeraswalstro, schildereprijs, zeegroene muur, timotheegras, echte koekoeksbloem, stijve zegge, holpijp, waterweegbree, watertorkruid, brunel, tengere rus, waterzuring, pijptorkruid, kikkerbeet, kleine en grote watereppe, klaverzuring, wederik. 

In het bos: brede stekelvaren, kamperfoeli, hulst, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes, gewone melkdistel, klein hoefblad, struisgras, salomonszegel, zandkool, akkerkool, wijfjesvaren, pijpestrootje, grote muur, tijmereprijs, robertskruid, akkerkers, kaardenbol, roze dovenetel en bermooievaarsbek of Pyrenese ooievaarsbek (Genarium pyrenaicum).

 

Plantenwerkgroep: excursie Teutoburger Wald 24-05-2014

 

Eigenlijk hoef je niet zo lang te rijden om er zeker van te zijn dat je in het in het buitenland bent. Het vertrek om 07.30 uur was dan ook vroeg genoeg zodat we om 10.30 Kaffee mit Kuchen konden nuttigen in een coffeecorner van een supermarkt, met uitzicht op een meiboom en de toren van een mooi kerkje in het plaatsje Stuckenbrock.

Het was even spannend of we genoeg vervoer zouden hebben want ondanks de duurzame auto van Niels passen daar toch geen 8 mensen in. Gelukkig was Gerrit Sleurink zo sportief om de fiets te pakken zodat zijn vrouw Gonny het probleem van het vervoer op kon lossen.

Na een sanitaire stop met ingang ergens tussen de kaas en de ham vertrekken we naar Oerlinghausen, iets ten zuiden van Bielefeld in het oostelijk deel van het Teutoburger Wald, een gebied met een oude kalkwinningsput en zandgroeve.

Enkele jaren geleden bezochten we al eens de omgeving van Osnabrück, waar we tot groot genoegen een orchideeënrijk grasland bekeken (Silberberg bij Hagen).

Het Teutoburgerwoud vormt ongeveer de grens tussen de deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen. Het is een tamelijk hoge maar heel smalle heuvelrug, met toppen tot ruim 400 meter. Het is er bosrijk met zowel loof- als naaldbos en plaatselijk ook graslandjes. Op veel plaatsen komen voor ons bijzondere plantensoorten voor, waaronder orchideeën als soldaatje en zelfs vrouwenschoentje. Daarnaast is het gebied bekend vanwege allerlei bijzondere diersoorten, denk aan grijskopspecht, oehoe, ruigpootuil en ook de relmuis. Die laatste is een soort uit z’n krachten gegroeide muizensoort met een roomwitte vacht. De relmuis, die ook wel zevenslaper wordt genoemd, is een behendige klimmer. Vandaag gaan we maar eens kijken welke bijzonderheden we kunnen ontdekken.

Vanaf een parkeerplaats begeven we ons in ganzenpas richting het bos. Het pad leidt ons eerst door een parkje waar een bord staat met niet te lezen opdruk. Blijkbaar heeft iemand hier met graffiti aan willen geven dat dit toch echt het eind van de bewoonde wereld is. Am Kalkofen worden de eerste vondsten genoteerd: Muursla, een grote hoeveelheid Bingelkruid – dit betreft 1 en dezelfde plant en het zijn dus allemaal klonen, Klein springzaad, Robertskruid, Schaduwgras, Dolle kervel, Rode Kamperfoeli en het “wilde” Gebroken hartje: Dicentra formosa. Soorten waaruit blijkt dat we nog steeds in de buurt van de bebouwde kom zijn. Muursla kun je namelijk ook tegenkomen in de Oudestraat in Kampen.

     

Ook zien we Egelantier (Rosa rubiginosa). De bloemen zijn rozerood met een wit centrum. De plant heeft aan de onderzijde van de blaadjes klieren die, als je erover wrijft de geur van appeltjes verspreiden. Een roos die er erg op lijkt, maar niet geurt is de Hondsroos. Deze komen we ook tegen op ons pad verder het bos in. Nu wordt het spannender: Eenbloemig parelgras, een heel mooie soort, rank en heel fotogeniek in het strijklicht dat door de bomen valt, Gevlekte aronskelk, Heggenwikke, Dichte bermzegge, Koninginnekruid, Heksenkruid, Gewone ereprijs, Ruig klokje (Campanula trachelium), Veronica montana (Bosereprijs) en in prachtformaat Atropa bella-donna, de Wolfskers.

Wolfskers komt van nature voor in Europa, Noord Afrika en West-Azië en is van daaruit verspreid over de hele wereld. In Nederland is de soort zeer zeldzaam en voornamelijk in Zuid-Limburg en Gelderland te vinden, maar hij komt ook voor in parken in de rest van Nederland. De standplaats is op beschaduwde plekken, vooral aan de rand van het bos.

De soortaanduiding bella-donna is Italiaans en betekent ‘mooie vrouw’. Vrouwen druppelden tijdens de Renaissance namelijk het atropine bevattende sap uit de plant in hun ogen om de pupillen te verwijden en ze donkerder en glanzender te maken. Dat ze daardoor ook slechter zagen werd voor lief genomen.

De hele plant bevat giftige alkaloïden. Bijzonder gevaarlijk zijn de bessen die de uiterst giftige stof atropine bevatten. Het eten van drie bessen kan dodelijk zijn voor een kind. Voor een volwassene zijn tien tot twaalf bessen vaak fataal.

We willen het beginsel van Niels: ‘een plant kun je minstens 1 keer eten’ toch maar niet uitproberen en het vrouwelijk schoon binnen de groep houdt graag de ogen droog, dus we nemen bewonderend afstand van deze krachtige plant en vervolgen onze weg. Herman roept ons terug. Hij heeft iets gevonden: een Segrijnslak, een grote longslak. Hij neemt hem op de hand en het dier wordt van alle kanten bewonderd. Even later kunnen we van chagrijnslak spreken want Niels laat een verpletterende indruk achter op een paartje dat elkaar net het ja-woord heeft gegeven. Helaas: geen nageslacht dus.

   

De overige fauna wordt ook niet verwaarloosd tijdens deze excursie. We staan allemaal naar beneden te turen, maar Gonny v. d. Weerd hoort iets boven in de boom en daar zien we vlak voor onze neuzen hoe een moeder boomklever haar jong te eten geeft. Prachtig. Ook horen we het geluid van een knikkerbak: een Fluiter. In de verte klinkt een specht, er wordt luid getjiftjaft en overal klinkt de mooie melodie van de merel. Een Bandspanner (niet te verwarren met fietsengereedschap) fladdert voorbij en vind haar voedsel op het glad walstro en kleefkruid dat in ruime mate langs de rand van het pad groeit. De tuinliefhebbers onder ons bekijken deze laatste plant met enige argwaan, zoals ook met gemengde gevoelens naar zevenblad wordt gekeken. Inderdaad: dat kun je eten, en de bloemen zijn mooi, maar …

We lopen verder en noteren onder andere Boszwenkgras, Veldbies, Mannetjesereprijs, Bergbasterdwederik, Engbloem (Vincetoxicum hirundinaria), leuke vondst, Bosviooltje, Knopig helmkruid, Lievevrouwebedstro (Galium odoratum), in tegenstelling tot het Kleefkruid (Galium aparine) wel een leuke tuinsoort,  Springzaadveldkers, Mannetjesvaren, Brede stekelvaren, Wijfjesvaren en Adelaarsvaren, een soort waar heel Schotland mee bedekt lijkt te zijn. Oosterburen: waakt u dus!

Dan ontstaat er enige beroering: zwarte rapunzel! In Nederland staat hij op de rode lijst. De Schwarze Teufelskralle of zwartblauwe rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. nigrum, basioniem: Phyteuma nigrum) is een vaste plant die behoort tot de klokjesfamilie (Campanulaceae). Het is een plant van vochtige, voedselrijke grond in loofbossen. Hij staat dus precies op z’n plek. Goed gedaan! Terwijl er druk gefotografeerd wordt besluit Gonny van de Weerd er thuis een mooie tekening van te maken.

 

Tijd voor de meegebrachte lunch. Aan de rand van de zandgroeve zetten wij ons neer en kijken uit richting een vliegveld waarvandaan zweefvliegtuigen de lucht in worden getakeld. In de verte dreigt een onweersbui, maar daar schijnen de piloten geen angst voor te hebben want ze cirkelen langzaam omhoog op de thermiek zoals roofvogels dat ook zo prachtig kunnen doen. Het moet een fantastisch gevoel geven om zo geluidloos te kunnen vliegen.

Omdat het onweer blijft dreigen en we ook nog een andere plaats willen bekijken, rukken we ons los van het mooie uitzicht en vangen de terugtocht aan. Nog steeds is er geen orchidee te bekennen. We lopen langs de oude kalkgroeve en lezen dat zich hier een Oehoe genesteld heeft. We naderen duidelijk de bebouwde kom want hier groeit naast Bergvlier ook Cotoneaster en Mahonia. De laatste 2 zijn vast ‘overgewaaid’ uit naburige tuinen. We passeren het plaatselijke voetbalveldje en even lijkt het erop dat de belangstellig voor deze sport het bij het mannelijk deel van de groep lijkt te winnen van de aandacht voor plantjes.

De eerste druppels beginnen te vallen, dus we haasten ons terug naar de auto en rijden naar het noordwesten, richting Lienen.

     

Tussen Bad Iburg en Lengerich duiken we het bos weer in. Blauw walstro. Op een bergweide met vogelkijkhut: Margriet, Knolboterbloem, de rode Incarnaatklaver, Slipbladooievaarsbek, Witte krodde. Weer een bosje in, en ja hoor: hier staan ze dan: 4 verschillende soorten orchideeën: Bleek bosvogeltje, Bergnachorchis, Grote keverorchis en Vogelnestje. De camera’s klikken. De planten laten al deze belangstelling gelukkig onbewogen over zich heenkomen. 1 Persoon merkt op dat je vooral klein en zeldzaam moet zijn om zoveel mannen voor je op de knieën te krijgen. Dat overkomt bijvoorbeeld het Daslook, dat in grote getale ook ergens aanwezig was bijvoorbeeld niet, of zou dat aan de geur liggen?

Verderop zien we honderden Eenbessen en nog meer keverorchissen, Bezemkruiskruid, Boskruiskruid, Reuzenbalsemien, Heelkruid, Kruidvlier, Boswederik, Filipendula, Bosgierst, Dalkruid, Aronskelk en Stinkende gouwe.

 

Dan wordt het tijd om terug te gaan om te voorkomen na middennacht thuis te komen en de maag moet ook nog gevuld worden. Na wat omzwervingen bereiken we het eerder gespotte Gasthoff Altes Farmhaus in Lienen, ‘Treffpunkt für nette Leute’. Er wordt even getwijfeld of iedereen wel naar binnen mag. Gelukkig is dit het geval. Na een prima maaltijd met veel gezelligheid wordt de terugtocht aangevangen en lukt het om tegen 23.00 uur de Kamper bodem weer te bereiken.

Het was weer een gezellige en leerzame dag!

 

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink, Herman Koek en Heleen Strikkers

Tekeningen: Gonny van der Weerd

Met dank aan

Niels Jeurink, Cor Nagelmaeker, Ellen van Knippenberg, Herman Koek, Jeroen Klappe, Gonny van der Weerd, Gonny Sleurink

Voor meer foto’s zie het album van Herman Koek http://www.mijnalbum.nl/Album=6Q73GH3M#JLIUXZZA

(Klik op de foto’s om deze te vergroten)

Plantenwerkgroep, verslag excursie Kamperveen 21-05-2014

Kamperveen is de benaming voor het gebied tussen de stad Kampen en de provincie Gelderland. Het is een klei-op-veengebied. Kamperveen heeft drie buurtschappen: De Zande, Zuideinde en Hogeweg. De Hogeweg waar we vanavond wilde planten gaan bekijken heeft een kerk en een school en ligt midden in de streek. Verspreid tussen de drie kernen bevinden zich agrarische ondernemers die hoofdzakelijk veehouderij bedrijven.

We beginnen onze “wandeling” bij de kerk aan de Hogeweg met een leuke groep van 12 personen. Het berichtje in de krant heeft een iets vertekend beeld gegeven van de opzet van deze excursie. De krant sprak over een wandeling door het gebied Kamperveen, echter na een kwartier zijn we slechts 5 meter gevorderd. Wel hebben we dan al minstens 30 wilde planten gevonden en heel wat informatie van Niels tot ons genomen.

In de berm vinden we verschillende grassen, sommige erg lastig te determineren, omdat ze op het eerste oog veel op elkaar lijken. Lang vliesje, naaldjes, tongetjes maken het verschil. Wil je er meer over weten, dan is het leuk om een bezoekje te brengen aan de site http://www.vob-ond.be/Determinatie/start.html  van onze zuiderburen. Enkele grassoorten die er staan: gestreepte witbol, straatgras, zachte dravik, ruw beemdgras, Italiaans raaigras, grote vossestaart, kropaar, geknikte vossestaart en hier tussen groeien witte dovenetels, zwarte mosterd, zilverschoon, witte klaver, gele lis, gele hopklaver, rode veldzuring , waardoor de berm een lust voor het oog wordt.

Een leuke vondst tussen al dat gras is een kleine watersalamander. Al heel bijzonder dat hij opgemerkt wordt met zijn prachtige schutkleur. Ook een moeder-eend met haar kroost trekt onze aandacht. Wat helaas ook de aandacht trekt is het geluid van de trein en het voortrazende verkeer op de N50. De wind draagt het geluid naar de Hogeweg en verstoord jammer genoeg de rust van het platteland.

We lopen richting de Jules van Hasseltweg en gaan aan de andere kant van de weg lopen. Hier vinden we bomen en struiken langs de slootkant o.a. een linde, berk, paardenkastanje, Spaanse aak, Canadese populier en een vlier met haar prachtige bloemschermen. In de sloot drijft o.a. kikkerbeet en veenwortel De laatste komt ook op het land voor. De landvorm van veenwortel heeft behaarde bladeren, waarschijnlijk om uitdroging te voorkomen. Wel bijzonder dat ze zich op compleet verschillende plekken kan wortelen.

We slaan rechtsaf en lopen om de Dompekolk heen. Daar vinden we bij de sloot grote egelskop, waterzuring, kattenstaart, tenger fonteinkruid, veelkleurig vergeet-me-nietje (erg lange naam voor zo’n klein plantje, maar met prachtig bloempje onder de loep bekeken), veldsla, zachte ooievaarsbek, duizendblad en wederom een mooie vlier in bloei.

Het valeriaan is in aantocht. De wortels van deze plant worden gebruikt om een rustgevend medicijn van te maken en bij gehele consumptie van de plant wordt volledige rust gegarandeerd. Voorlopig hebben we geen valeriaan nodig. Het weidse uitzicht met hierboven prachtige wolkenluchten zorgt voor voldoende ontspanning.

Toch volgt er nog even een spannend moment. Wat kraakt daar in het struikgewas ???? Aan de andere kant van de sloot duikt ineens Rutger met bruine jas uit de struiken tevoorschijn. Waarop Jeroen meteen reageert : “Oeps de grote bruine beer ! “ Valeriaan kan nu helemaal in de kast, want niets werkt zo ontspannend als humor.

We lopen de parkeerplaats op en zien enkele groene tentjes langs de waterkant staan. In de Dompekolk is nachtvissen toegestaan, nadat een vergunning is verstrekt door Hengelaarsvereniging Ons Vermaak. Voor de kolk is er een kleine opgebrachte wal, waarop bitterzoet, krodde en korrelganzenvoet groeit.  Aan de rand van de kolk een lage zwarte els inclusief elzenhaantjes (kleine blauwzwarte glimmende kevertjes) die er lustig op los (vr)eten.

We lopen een stukje langs het water. Niet te ver, want we willen de rust van de hengelaars niet al teveel verstoren. Er staat een bord in het water, waar op het volgende gedicht van een Rijm-piet te lezen is: “Gedraag je niet als slappe zak, maar gooi je afval thuis in de afvalbak”  duidelijke taal !

Fraaier zijn de partij witte waterlelies en het zeegroene muur dat Niels ontdekt. Niet plukken waarschuwt hij meteen, want het is vrij zeldzaam. Verder lopend langs de kolk vinden we nog biezenknoppen, pitrus, 2-rijige zegge en scherpe zegge. Niels laat ons de verschillen zien. Zegge stamt uit het Indo-Germaanse woord seq, wat snijden betekent,  een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren.

We lopen weer terug naar de weg. Niels toont ons nog een steenuilenkast in de boom. We denken niet dat er iemand thuis is.

Voordat we de auto’s weer bereikt hebben zien we nog de egelboterbloem en de echte koekoeksbloem. Echter waar we voor gekomen zijn –  de grote pimpernel – kunnen we helaas nergens vinden. We zullen genoegen moeten nemen met haar foto in de Flora van Nederland. De bladeren, bloemen en bloemknopjes van de grote pimpernel zijn een wilde groente en kunnen prima in een salade verwerkt worden. Van de gedroogde bladeren kan een kruidenthee worden gemaakt. Zou het eten van wilde planten weer een trend aan het worden zijn? Dat zou in dit geval wel heel erg jammer zijn.

     

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Heleen Strikkers

Plantenwerkgroep, excursie Scherenwelle, 2e paasdag, maandag 21 april 2014

Paashazen tussen de kievitsbloemen

Op een wat regenachtige 2e paasmaandag, bezochten we met 10 man-vrouw Scherenwelle. De eerste plantenexcursie van het seizoen gaat traditioneel het ene jaar naar het Zalkerbos en het andere jaar naar Scherenwelle.  Beide zijn unieke natuurgebieden langs de IJssel in de buurt bij Kampen.

Bij de planning van de excursie hebben we geprobeerd de datum zo te kiezen dat de kievitsbloemen zouden bloeien. En dat is gelukt. Hoewel al zeker 2 weken in bloei, stonden ze er nog prachtig bij: veel paarse en een enkele witte.

Niels legde ons uit dat de kievitsbloem een soort is van regenrivieren en in Nederland alleen voorkomt in het Vechtdal en bij Gouda. En zoals vaak bij planten: waar hij voorkomt, komt hij dan weer massaal voor. Een rode lijst soort: zeldzaam maar plaatselijk algemeen. Deze plek aan de IJssel is wellicht een overblijfsel van een grotere populatie is een breder gebied rondom de Vecht.

Gletsjerrivieren overstromen vaak in het voorjaar, net de in de periode dat kievitsbloemen bloeien, zodat ze het daar niet doen. Daarom is deze groeiplaats aan de IJssel, een zijtak van de Rijn, dus een gletsjerrivier,  bijzonder. Verder moet de kievitsbloem er voor zorgen de grote vossenstaart voor te zijn: een goed groeiend gras van vergelijkbare omstandigheden. Als de vossenstaart vroeg is (of meer begunstigd wordt) gaat dat ten koste van de kievitsbloem.   

De bloei van de kievitsbloem wordt vooral bepaald door de daglengte en minder door de temperatuur. Daarom is de bloeiperiode vrij goed de voorspellen (half april; kan vast in de agenda voor volgend jaar!) Wie elders massaal kievitsbloemen wil zien schijnt in het Loiredal zijn hart te kunnen ophalen.  En ja: de kievitsbloemen uit het tuincentrum zijn cultivars die het wat minder nauw nemen met hun groeiomstandigheden.

Diverse ontwikkelingen rond de uiterwaarden van de grote rivieren zullen de komende jaren flinke invloed gaan krijgen op dit gebied (en op het Zalkerbos). Eén van de doelen is om op meer plaatsen kievitsbloemen te krijgen. Daarvoor zal een aantal weilanden wat worden afgegraven waardoor ze lager komen te liggen en dus natter worden.

Ook zullen bosjes, jonger dan ca. 20 jaar, die haaks op de rivierrichting staan worden gekapt. Dat riep bij sommigen van ons de vraag op hoe het er hier dan vroeger uit heeft gezien. Waren die bosjes er niet altijd al? Bijvoorbeeld om wilgentenen uit te snijden?

Ik heb er schilderijen van Jan Voerman eens op nageslagen. Veel van die IJsselgezichten van Voerman laten kalere uiterwaarden zien dan we nu hebben. Zie bijgaand Gezicht op de IJssel (ca. 1930) in het bezit van het Stedelijk Museum Zwolle.

 

Toen we verder liepen richting de IJssel, zagen we 2 hazen die elkaar achterna zaten al zigzaggend door de weilanden.

Onderweg kwamen we nog een aantal typische rivierplanten tegen zoals de (nog niet bloeiende) beemdooievaarsbek, de kleine pimpernel die net in bloei stond, samen met zachte haver, en rivierkruiskruid. En we vroegen ons af waar de naam pinksterbloem vandaan komt, die altijd met Pasen bloeit. Eén suggestie was dat de naam afkomstig is uit Engeland (pink: roze; maar in Engeland heet ie Cuckoo Flower en kondigt de komst van de koekoek aan). Op internet vond ik een paar andere verklaringen:

  • vernoemd door Linnaeus zelf. Die kwam uit het noorden en daar was Pinksteren wat later, dus bloeide de bloem bij hem als het Pinksteren was… maar ja, hield Linnaeus zich wel bezig met inheemse (Nederlandse namen)??
  • aankondiging dat de pinken de wei weer in mogen 
  • staat voor vroeg bloeiend en vroeg is dan rond Pasen/Pinksteren

En zoals hoort bij een plantenexcursie: hadden we een integrale natuurexcursie. Twee visdiefjes buitelden over de IJssel. Opmerkzaam gemaakt door het geluid, zagen we 3 regenwulpen.

De toonhoogte van het gesnor van de snor en sprinkhaanzanger is voor de fijnproevers, die we gelukkig in ons gezelschap hadden, zodat we wisten dat we een snor als een metalen staafje over een kammetje hoorden snorren.

Altijd mooi vind ik het zicht op Wilsum, als je vanuit de uiterwaarden naar het dorp loopt: het oude kerkje en de boerderijen die tegen de dijk aan gebouwd zijn.

Via de dijk liepen we terug naar de auto’s en fietsen.

Weliswaar een beetje nat, maar voldaan  over deze mooie excursie!

Waarnemingen

  • Kievitsbloem, knolboterbloem, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem, kleine pimpernel, zachte haver, zachte dravik, beemd ooievaarsbek, rivier kruiskruid, kruisdistel, kluwen hoornbloem, akkerhoornbloem, tweerijige zegge, scherpe zegge, pinksterbloem, dotterbloem, moeraszuring, krulzuring, veldzuring, herik, hopklaver, reukgras, grote vossenstaart, kleine brandnetel, schietwilg, krakwilg, glad walstro, witte en paarse dovenetel, hondsdraf, smeerwortel, fluitenkruid
  • Regenwulpen, snor, visdiefjes, bruine kiekendief, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, rietgors, boerenzwaluw, zwartkop, ooievaar
  • 2 hazen

Verslag: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

 

Plantenwerkgroep, avondexcursie Roggebotsveld 3-7-2013

 

We bezochten deze avond het Roggebotsveld, dicht bij Ketelhaven bij de boerderij ‘De Scheper’. Hier is een gebiedje tussen het Roggebotzand en de Ketelhaven natuurlijk ingericht en het is aardig om te zien welke plantensoorten er voorkomen. Het Roggebotsveld is een langgerekt perceel langs de dijk naar Ketelhaven. De grond is er afgegraven, waarbij op sommige plaatsen natte laagtes en poeltjes zijn ontstaan. De vegetatie bleek er nog niet zo spectaculair, al zagen we uiteraard veel verschillende pioniersoorten. Op één plekje na dan, want daar vonden we enkele plantjes van sierlijke vetmuur, die ook wel krielparnassia wordt genoemd en kenmerkend is voor vochtige, kalkrijke duinvalleien. Wie weet geeft dat al wat aan welke kant het op kan gaan in delen van dit gebied.

We liepen vervolgens het bos in dat ook nog tot diezelfde vierkante kilometer hoort. De slakken waren er zo talrijk dat ze niet te omzeilen waren. Heel bijzonder en ook wel een beetje genant, als je bij elke stap gekraak van schelpen hoort. Maar goed, het bos leverde nog wel een paar bijzonderheden op, zoals de Japanse wijnbes, een sierlijk bloeiende bramensoort die wel meer in het Roggebotzand voorkomt. Ook bijzonder was een grote populatie reuzenpaardenstaart, de grootste inheemse paardenstaart die we hebben en familie van bijvoorbeeld heermoes en de schaafstro uit het Zalkerbos. Maar deze is dus groter en met veel dikkere stengels. Elders kennen we de plant eigenlijk alleen van plaatsen waar heel veel grondwater opwelt, waar je bijna wegzakt van de drassigheid. Maar hier is het niet zo drassig, al is de bodem wel lemig-zandig en kalkrijk. Het gaat de sporenplant, die zich trouwens vooral door wortelstokken vermeerdert, voor de wind, er staan zeker duizenden planten. Het was al donker toen we weer huiswaarts keerden.

Verslag: Niels Jeurink

Foto’s: Gonny Sleurink

Plantenwerkgroep, excursie naar het eiland Borkum op 14 september 2013

In het excursieprogramma overzicht 2013 schreef Niels: “Vorig jaar bezochten we Schiermonnikoog. Uitgerekend toen het in zo ongeveer heel Nederland goot, bleef het op het eiland de hele dag droog en zelfs zonnig. Dit jaar bezoeken we voor het eerst het Duitse Waddeneiland, Borkum”.

De weersvoorspelling voor 14 september is ook nu regen, regen en regen. En laten de voorspellers het nu helaas bij het rechte eind hebben. We krijgen ook de hele dag regen, regen en nog eens regen. Toch weerhoudt het ons er niet van om deze dag te genieten van een bijzonder eiland.

Dat bijzondere merk je al direct bij aankomst per veerboot vanuit het Groningse Eemshaven. Een tochtje van nog geen uur varen. Je waant je in een compleet andere wereld. Een door een locomotief getrokken treinstel, ‘der Borkumer Kleinbahn’, brengt ons in een kwartiertje naar het stadje Borkum. De snelheid is laag, zodat we alle tijd hebben om de sterk wisselende omgeving in ons op te nemen. 

 

We lopen door het stadje Borkum richting de boulevard. Je waant je hier terug in de 19e eeuw. Statige witte hotels, een brede boulevard, een strand vol vrolijk gekleurde strandkorven. Gezien de temperatuur en de regen ontbreken de badgasten.

    

Op een droog gevallen zandplaat in zee (Borkumer Riff) liggen tientallen zeehonden. Zo dichtbij dat je je afvraagt wie nu wie aan het bekijken is. Na dit allemaal met veel plezier te hebben bewonderd gaan we op zoek naar zoveel mogelijk van de 650 soorten wilde planten die het eiland rijk moet zijn.

We lopen in noordelijke richting langs het keurige verharde strandpad. Hier bloeit de teunisbloem en boslathyrus nog en groeit er, meer voor de hand liggend met al dat zand, zandkool, zandhaver (blauwachtig blad) zandzegge, biestarwekruid (lijkt op vergrootte versie van kweek) gladwalstro, vlasbekje, duizendblad, schermhavikskruid.

We verlaten links het keurige strandpad om een prachtig gebied in te lopen. Aan deze kant heeft het eiland extreem brede stranden. De zee en het strand kunnen we lopend door dit gebied niet zien. We vinden er restanten van een dode “duinduif” waar iemand heerlijk van gegeten moet hebben.

Duindoorn, kleine ruit (zeldzaam in Nederland) rolklaver, vlinderbloem, zeepostelein (vast eetbaar) komen op ons pad.

Regen, regen en regen vergezelt ons.

Stijve ogentroost, watermunt, wolfspoot, kruipwilg, akkermelkdistel , boerenwormkruid.  Fibo vertelt hier nog een leuk plantaardigheidje over: het blad van boerenwormkruid ruikt naar anijs. Bijen worden er rustig van. Ook de rimpelroos trakteert ons op een heerlijk geur. Eikvaren, buntgras (blauwig van kleur) duinkruiskruid, grauwe wilg, kale jonker, knopbies, duinrus, zeerus, geelhartje (lief wit bloempje met geel hartje) echte kivietsbloem.

Opvallend is het aantal borden. Het schept natuurlijk openheid van zaken bij het naderen van een FKK (Freikórperkultur) strand. Men kan van bord naar bord over het eiland wandelen.

Over bord gesproken: nze magen beginnen licht te rammelen en we besluiten  bij een prachtig vennetje op ons plastic neer te strijken voor een lunchpauze. Om ons heen rode ogentroost, egelsboterbloem (zurige grond, omdat er regenwater blijft staan), zilt torkruid, geelgroene dwergzegge, late zegge, groenknolorchis.

Na de pauze baggeren wij door een slufter. Een slufter is een getijdengebied waarbij zout water vanuit zee onder invloed van het getij door een geul in de duinen het land binnen kan dringen. In de strikte zin gebeurt dit niet telkens bij hoogwater, maar enkel bij springtij. Hiermee krijgen de duinen ook aanvoer van vers zand. Er ontstaat een levendig duinengebied met begroeide en onbegroeide delen, droge en natte, kalkrijke en kalkarme, humusrijke en humusarme grond. Deze overgangen leveren een heel typische flora en fauna op.

Ondanks alle regen genieten we inderdaad van een prachtig gebied.

Kwelderzegge, zeebies, zeegroene ganzevoet, rode ganzevoet, hazepootje, melkkruid.

Het regenachtige weer trakteert ons op weinig vogels. We zijn dan ook helemaal enthousiast als een boomvalk zich laat zien.

Met ritselende regenpakken struinen we door het gebied. Elk streepje blauwe lucht wordt hoopvol begroet. Als antwoord keren donkere wolken weer op de voorgrond. We besluiten om ons traditionele bakje koffie met lekkernij op te zoeken. Bij ‘Cafe Sturmeck’ kunnen we onze natte pakken te drogen hangen en genieten we van o.a. Apfelstrudel en meer Duitse lekkernijen. Gezellig met de hele groep om de ronde tafel.

Wanneer we menen dat het droog is, trekken we onze bepakking weer aan, om bij het openen van de deur tot de ontdekking te komen, dat de regen nog met bakken naar beneden valt. Diepe zucht.

Bij de deur hangt onderstaand bord!

Kom op jongens, we zijn niet van suikergoed: we gaan gewoon verder.

Nu door de duinen in oostelijke richting. Ook hier weer kleine ruit, maar ook het op kattendoorn lijkende kruipend stalkruid, geoorde silene, scherpe fijnstraal, kamperfoelie, hondsroos. Wingerd kleurt een deel van de duinen wijnrood.

We lopen richting het dorp langs een kazerne-achtig gebouw. In eerste instantie denken we aan een gesloten inrichting. Het is echter ‘Kurort Borkum Riff’. Wind, zon, zeewater en jodium dat zich in de lucht bevindt, zijn de kernwoorden voor een snel herstel voor mensen met astma, hart- en vaatziektes, of een burn-out.

Die kuurtraditie wordt echter bedreigd. Het eiland wordt van alle kanten ingebouwd en vervuild. Het uitdiepen van de vaargeul naar Eemshaven voor het toenemend aantal schepen. De snel groeiende Eemshaven, waar in hoog tempo drie nieuwe energiecentrales verrijzen. Een poeder-kolencentrale van het Duitse RWE, een multi-fuel centrale van Nuon en een gasgestookte centrale van Eemsmond Energie. Als de wind verkeerd staat, blaast hij het fijnstof van de kolencentrales richting Borkum. Weg schone lucht, weg kuurtraditie. Weg toerisme, de belangrijkste bron van inkomen van de eilandbewoners. Gevolgen natuur?

Omdat we de tijd voor de terugreis in de gaten moeten houden, besluiten we een binnendoor route te nemen naar dichtstbijzijnde treinhalte. We verstevigen de looppas. Passeren nog een prachtige watertoren en niet te vergeten de planten, zoals slangenkruid,en mierikswortel,.

Bij de ‘Upholmdeich’ slaan we rechtsaf de oude dijk op. De fraai kronkelende dijk geeft uitzicht over prachtige kolken. Tot onze verrassing is een waterral daar druk in de weer en zich niet bewust van zoveel pottenkijkers. Ook langs deze dijk tal van planten, doch gezien het looptempo geen tijd om alles te noteren.

En zoals voorzien arriveren wij toch ruimschoots op tijd bij de treinhalte. Het doet ons besluiten om nog snel even een bezoekje aan de waddenzeekant van het eiland te brengen. Terug bij de treinhalte komt de trein binnen korte tijd aanrijden om ons comfortabel, moe van al het lopen, naar de boot te brengen,

We komen nog eens terug ! We zijn nieuwsgierig geworden naar de rest van dit mooie eiland.

         

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Ellen van Knippenberg en Gonny Sleurink

 

Planteninventarisatie Kampen Station-Zuid 4-9-2013

Ambrosia wat vloeit mij aan

Op woensdag 4 september bezochten we met 12 mensen, waaronder een fotograaf en journalist van de Stentor, het stationsgebied bij Kampen Zuid. Een rustige avond, met alleen zo af en toe een sneltrein, vanwege de wisselstoring op de Hanzebrug.

Het gebiedje is in alle opzichten een gebied in ontwikkeling. Als je uit het station komt, kom je eerst in een keurig ‘parkje’ met een gemaaid gazonnetje en asfaltpaadjes van niets naar nergens. Of nu ja, naar nergens: naar fraai beschilderde schuttingen geïnspireerd op Kampen.

En als we dan toch een kilometer hok gaan inventariseren, dan beginnen we natuurlijk bij dat keurige gazonnetje, waar we de eerste waarnemingen noteren: een dode woelmuis, varkensgras, grote weegbree, en nog zo wat, wat we soms later pas op naam brengen, als we uitgegroeide planten zien en niet alleen afgemaaide stukjes (zoals de paarse dovenetel).

Voorbij de schuttingen begint de ‘wildernis’ van pionier soorten: zaden die soms al jaren in de grond zitten en de kans krijgen als de grond verstoord wordt en de struggle for existence wordt gewonnen door de snelle groeiers.

Meest dominant en opvallend is de beklierde duizendknoop, niet te verwarren met perzikkruid, die overigens vaak samen voor komen. Beide planten hebben vaak een halve maanvormige zwarte vlek op het blad. Volgens de Nederlandse Oecologische Flora zag men hierin vroeger bloeddruppels van Christus: vandaar de naam Jezusgras voor perzikkruid en beklierde duizendknoop. Nog zo’n weetje: op de overeenkomst in bloemkleur en bladvorm met de perzik (Prunus Persica) berusten de namen Persicaria en Perzikkruid. Het lijkt me geen botanist die, die naam zo heeft verzonnen.

Hoe die twee te onderscheiden? De beklierde duizendknoop dankt haar naam aan kliertjes aan de onderkant van de bovenste bladeren van volledig uitgegroeide planten. Met de loep kun je ze goed zien, en doen ze direct denken aan de oliekliertjes op de bladeren van sint-janskruid (van de sint-jansolie) die je met het blote oog kunt zien als je de blaadjes tegen het licht houdt. Een ander verschil wordt gevormd door de ‘tuitjes’ die de stengel omvatten, waar zijtakken of bladeren uit de stengel komen. Bij de beklierde duizendknoop is het tuitje aan de bovenzijde recht, of hooguit met enkele haren bezet, bij perzikkruid is het rafelig gewimperd.

Wat leuk is aan de Nederlandse Oecologische Flora (waarvan ik de 5 delen, in ongeveer 5 jaar tweede hands via bol.com bij elkaar heb verzameld) is het ecologische aspect: bij elke plant staat aangegeven in welke omgeving die te vinden is en met welke andere planten (en soms insecten op paddenstoelen) hij vaak voorkomt.

Voor de beklierde duizendknoop zijn dat: spiesmelde, een aantal ganzenvoeten, zwart tandzaad, waterpeper, gewone steenraket, watermuur en zachte duizendknoop. Als ik het goed heb bijgehouden, hebben we dat hele rijtje inderdaad gezien, behalve die laatste twee.

Bij die pioniersoorten zijn er veel die we als onkruid dagelijks tegenkomen. Een goede oefening om ze uit elkaar te gaan houden! Zo vind ik de meldes en ganzenvoeten ook altijd lastig te onthouden met als toppunt de melganzenvoet (een ganzenvoet dus.)

Een blik in de flora stemt niet tot optimisme: melde (Atriplex) is een groot en lastig geslacht: de onderlinge begrenzing van veel soorten geeft problemen. Melden lijken veel op ganzenvoeten, onder meer in de meelachtige beharing: de naam melde houdt verband met meel.

Melden komen voor op stikstofrijke plaatsen (akkers, -volks-tuinen) maar is vooral ook soorten van de zeekust ‘op vloedmerk’. Hoog op het strand en tegen de voet van zeedijken ligt een gordel die bestaat uit resten van aangespoelde planten en dieren en wrakhout. Dit materiaal gaat tot ontbinding over, waarbij stikstof verbindingen vrijkomen. Het zoutgehalte kan door verdamping vooral ’s zomers flink oplopen. Melden horen tot de weinige planten die onder zulke extreme omstandigheden kunnen ontkiemen. Volgende keer aan de kust dus nog eens goed opletten!

Over die beharing op de bladeren zegt de flora bij de ganzenvoeten dat o.a. blaasharen voorkomen. Deze haren dragen aan de top een met vocht gevuld blaasje dat als waterreservoir dient. Als de plant gebrek krijgt aan water vloeit het vocht uit het blaasje naar het onderliggende weefsel. De blazen vormen de meelachtige tot schilferige bedekking, die bladeren van veel ganzenvoeten zo’n karakteristiek grijzig uiterlijk geeft.

Ook ganzenvoet geldt als een moeilijk geslacht: voor het onderscheiden van uitheemse soorten moet de zaadhuid bestudeerd worden. De 10 soorten van de Nederlandse flora zijn wel met het blote oog te herkennen. Dat geeft moed! Bovendien groeien ganzenvoeten niet op zilte grond.

Het verschil tussen melde en ganzenvoet: bij melde zijn de onderste bladeren tegenoverstaand, bij ganzenvoet niet.

Wij noteerden de volgende soorten: melganzenvoet (blauwgroen blad), stippelganzenvoet (frisgroen en smal blad), korrelganzenvoet (rood na de bloei), zeegroene ganzenvoet (bladeren aan de onderzijde wit) en uitstaande melde en spiesmelde (nauwelijks van elkaar te onderscheiden).

De voor dit gebied meest bijzondere soort die we vonden is gewone duivenkervel met zijn fijne roze bloemetjes, die aan het eind een beetje zwart zijn en verwant  is aan de rankende helmbloem.

Zo rond 20.45 werd het te donker om nog echt wat te onderscheiden en kozen we een vlakkere route terug. De teller stond toen op 73 soorten waarbij de laatste de ambrosia was. “Ambrosia, wat vloeit mij aan….”  of de “ Ambrosia Alert”: we hebben hem niet verwijderd en ook niet gemeld voor de hooikoorts bestrijding….

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw Jezusgras is aang’naam gaan
en alle melden blozen

de klankgazelle die ik uit
van kroontjeskruid en kaasjeskruid
kamillen, soms reuklozen

o muze in het avondlicht
o mannagras in dit gedicht
een smeerwortel verscholen

klein hoefblad-blad en kroontjeskruid,
roeken, spaarzaam treingeluid
en duizendknopig dolen

Toos Lodder,

met dank aan de Nederlandse Oecologische Flora en Jan Engelman

 

 

Plantenwerkgroep: excursie Tolkamer 24 augustus 2013

Vandaag vertrekken we naar de omgeving van Tolkamer. Daar waar de Rijn ons land binnenkomt. Diverse in de voorbije eeuwen afgesneden rivierbochten maken trouwens, dat we nu spreken over het Bijlands kanaal en het Pannerdens kanaal. Daarnaast zijn ook de restanten van oude rivierlopen in het gebied te vinden, zoals de Oude Waal en de Oude Rijn. Tezamen heet dit gebied ook wel de Rijnstrangen.

 

We starten traditioneel met een bak koffie incl. appelgebak. Buiten op een terrasje in een inspirerend straatje, de Tolstraat. De oudere huizen hebben geen voortuin, maar er zijn wat stoeptegels verwijderd en stokrozen, lavendel en andere plantjes geplant, wat een enorme warme uitstraling aan het straatje geeft. Dit zou in de binnenstad van Kampen ook fraai staan. Het “onkruid” wat er tussen groeit, zoals bingelkruid en gehoornde klaverzuring misstaat absoluut niet.

We vinden er cichorei met zijn schitterende blauwe bloemen. Rond de 17de eeuw roosterde men de wortels van deze plant om zo een koffieachtige drank te verkrijgen. Tegenwoordig wordt de cichorei wortel verwerkt in surrogaatkoffie als geroci, pacha en bambu.

het talud van de oude veerhaven ziet geel van het vlasbekje

We lopen richting de kade.  Langs de kade van de jachthaven Bijland ziet het geel van het vlasbekje. Een prachtig gezicht. Op een relatief klein stukje kade vinden we erg veel verschillende, interessante planten o.a.:

Wede (Isatis tinctoria). Wede is een plant uit de kruisbloemenfamilie . Uit de plant kan de blauwe kleurstof pastel worden gewonnen. De plant is in Nederland zeer zeldzaam.  Volgens de Flora vind je de plant vooral langs de rivieroevers van Waal en de Rijn waar de zaden worden aangevoerd uit Beieren en Zwitserland. Dat klopt dus. Wede komt oorspronkelijk uit de Aziatische steppe en is voor de blauwe kleurstof pastel hier heen gebracht. Hopwarkruid, deze grijpt zich verward vast aan het valeriaan.

IJzerhard, hierover lees ik op de site www.plantaardigheden.nl  het volgende : “Het gedroogde kruid gestrooid rond het huis brengt vrede en rust, als men het in de tuin strooit zullen alle planten het uitstekend doen. Om voor lange tijd kuis te blijven, vergaar dan IJzerhard voordat de zon rijst op de eerste dag van de nieuwe maan, pers het sap eruit en drink het op, dit zorgt ervoor dat je alle zin in seks verliest voor de komende 7 jaar.” Sinds alle euforie na het uitkomen van het boek “50 tinten grijs”, wellicht nuttig om te weten en ““Als IJzerhard gedragen wordt zal het eeuwige jeugd brengen en boven het hoofdeinde van het bed gehangen zal het je beschermen tegen enge dromen.” Dit klinkt allemaal ijzersterk.

Verder ontmoeten we haagwinde, sint janskruid, teunisbloem, walstro, knopig helmkruid, wilde peen, moerasandoorn, klein liefdegras,  straatliefdegras, akkerwinde, wilde bertram, hennepnetel, kaal knopkruid, vingergras, handjesgras, hoenderbeet, groene naaldaar, kleine leeuwenbek, groene amarant en een twijfelgeval. Gelukkig loopt er een buis langs de kade waar we even op kunnen gaan zitten, zodat Niels in alle rust het twijfelgeval kan bestuderen. Het is een composiet, vaal geel van kleur en  lijkt verwant aan kompassla. Eindconclusie: het is kompassla

Een erg leuke vondst is ook stekelzaad en tripmadam. Tripmadam is lid van  de vetplantenfamilie. En meer leden van deze familie vinden we naast elkaar op de kade: wit vetkruid, muurpeper en zacht vetkruid , waardoor de onderlinge verschillen duidelijk zichtbaar zijn.

We verlaten de kade en lopen om de wijk Tuindorp heen richting Vluchthaven. Tuindorp is rond 1920 gebouwd door Scheepswerf De Hoop als huisvesting voor de toen aangetrokken Poolse arbeiders. Deze vertrokken weer snel en daarna is het blijven bestaan als wijk van het dorp Tolkamer.

Lopend over het dijkje langs de Bijlandseweg vinden we nog meer leuke planten: sikkelklaver, luzerne (een vaste plant die wel 12 jaar oud kan worden, helaas halen de meeste deze hoge leeftijd niet, want de plant wordt wereldwijd verbouwd voor eiwitrijk veevoer) grote centaurie, kweekdravik, bonte luzerne, pastinaak, gewone agrimonie, ruige weegbree, felroze aardaker, mierikswortel, geoorde zuring.

Langs de haven, genaamd Vluchthaven, vinden we kruisdistel, grote zandkool, wilde reseda, zwarte toorts, kleine bevernel, knolribzaad (uitgebloeid), cipreswolfsmelk, beemdkroon(bedreigde soort) en fraai bloeiende salie.

Lunchpauze houden we bij het zogeheten Helicopterveldje, een erg mooi stuk stroomdalgrasland.

Al heel snel vinden we waarvoor we gekomen zijn: vertakte paardenstaart. De verschijning valt een beetje tegen, maar dat roepen we niet te hard, want volgens de Rode Lijst is de plant gevoelig.

Op de dijk of rivierduin ? hebben we een prachtig uitzicht over een strandje, het water en de uiterwaarden. We snoepen wat dauwbramen in de struwelen, zoals dat zo mooi heet. Bewonderen hokjespeul (astragalus)en de grote wederik met haar mooie gele bloemen. Hier staan fier de Engelse alant en Canadese guldenroede naast elkaar. De Duitse alant zal hoogstwaarschijnlijk aan de overkant van het water de wacht houden.

Het is een druk bevaren waterweg. Lange schepen zwaarbeladen met meters lange rijen trucks, tractoren en personenauto’s. Een oude raderboot zonder raderen, ”Graaf van Bijlandt”, die betere tijden heeft gekend, diverse pleziervaartuigjes.

Het bloeiend handjesgras kleurt het rivierenduinlandschap prachtig rood. Door ingrijpen van de mens vormen zich nagenoeg geen rivierduinen meer in Nederland.  De site www.geologievannederland.nl is aardig, om iets te lezen over de diverse landschappen in Nederland.

We lopen van krib naar krib, genietend van het zachte weer en de vondsten: kattendoorn, geel walstro, brede ereprijs, vlieszaad, late stekelnoot en diverse ganzenvoeten: zeegroene ganzenvoet, welriekende ganzenvoet, druifkruid, korrelganzenvoet en rode ganzenvoet. Ganzenvoeten verschillen sterk in geur, zo ruikt welriekende ganzenvoet naar citroen en druifkruid naar peut. De ganzenvoetfamilie is volgens het APG systeem (gebaseerd op DNA gegevens) nu ondergebracht bij de amarantenfamilie. Veel ganzenvoetsoorten hebben een aparte manier om hun zaad te verspreiden: de verdroogde plant breekt los van de wortels en laat zich door de wind meevoeren over de vlakte. Het verloren zaad komt zo overal terecht. Nu dus bij de amarantenfamilie.

Op de terugweg over de verharde Bijlandtseweg, op zoek naar toevalligheden, vinden we nog een uitzonderlijk grote rode ogentroost,  troost zoekend onder een meidoorn.

Het begint te regenen, zachtjes en verfrissend. We lopen om de Vluchthaven, langs de dijk, waar we  zeepkruid en bont kroonkruid tegenkomen. Zonnebloemen kijken ons vanaf de dijk lachend aan en dan begint het toch flink te plenzen. Kletsnat vinden we na een stevige wandeling de auto weer terug.

Een bezoek aan het vroegere eiland Salmorth aan de overkant in Duitsland, wat op het programma stond, redden we qua tijd niet meer. Geen nood, dat bezoek noteren we met plezier in de agenda voor een volgende keer.

Verslag: Ellen van Knippenberg

Foto’s: Heleen Strikkers

Plantenwerkgroep: excursie de Reest 6-7-2013

Het kronkelige riviertje de Reest is de levensader van een eeuwenoud landschap, het Reestdal. Tientallen kilometers lang vormt de Reest de grens tussen Overijssel en Drenthe. Het is één van die weinige riviertjes die nooit zijn gekanaliseerd (rechtgetrokken). Wel is er ooit een ‘Reest vervangende leiding’ (zo heet ie echt!) aangelegd, die de vegetatie in het Reestdal enorm heeft beïnvloed. Langzaam maar zeker is men echter bezig het beekdal weer in de oude luister te herstellen (voor zover dat nog kan uiteraard.) Veel natte hooilanden zijn er te vinden, met bijzondere maar ook lastig herkenbare soorten als noordse zegge en stijf struisriet. En een reeks andere plantensoorten van beekdalen natuurlijk. Ook de iets hogere delen op de rand van het beekdal zijn trouwens zeker een bezoek waard. Hier vind je op een aantal plaatsen droge of soms vochtige heiden, met bijzondere soorten als de klokjesgentiaan.

In Oud-Avereest stond in de dertiende eeuw al een kerkje. Via een netwerk van paden ging men uit de omgeving ter kerke. Veel oude kerkenpaden zijn niet of nauwelijks meer in het landschap terug te vinden. Toch zijn ze niet allemaal verdwenen. Het bekendste kerkepad loopt van de Nederlands Hervormde Kerk van Oud-Avereest naar het “bruggetje van Bartje”. Als je de Reest oversteekt ben je in Drenthe.

Gescheiden door het grensriviertje De Reest passeren we twee buurtschappen Den Huizen en Rabbinge. Den Huizen, gelegen in Overijssel, is één van de oudere buurtschappen in het Reestdal. Het bestaat uit slechts vier boerderijen, waarvan drie zich een rijksmonument mogen noemen. Daar komt bij dat Den Huizen de status van beschermd dorpsgezicht heeft gekregen. Pauzeren kun je onder andere bij rustpunt Koffiekast Rabbinge. Een rustpunt (herkenbaar aan het rustpuntbord) tref je aan op een particulier erf, langs een wandel- of fietsroute. Hier kun je stil houden tijdens een fiets- of wandeltocht voor een kopje koffie, thee of soep. www.rustpunt.nu

Onze start is bij het informatiecentrum De Wheem in Oud-Avereest. Bij de parkeerplaats is een insectenhotel gebouwd en een vlindermuur. Hierop vinden we onder andere Hartgespan (Leonurus cardiaca.) Dit is een sterk geurende plant die behoort tot de lipbloemenfamilie (Lamiaceae). De botanische naam Leonorus betekent in het Oudgrieks leeuwenstaart, wat op de vorm van de bladeren slaat. De plant komt van nature voor in Centraal-Azië en is van daaruit over de hele wereld verspreid.

Wij lopen het kerkepad op en vinden aan onze linkerhand een aantal mooie akkers met onder andere rogge en boekweit. Daartussen staat reukloze en valse kamille, voeder- of smalle wikke en radijs. Er staat een informatiezuil en Niels is als reisleider bereid op het pedaal te trappen om ons van informatie te voorzien.

Verderop ligt over de Reest het brugje van Bartje, zo genoemd omdat deze plek gebruikt is in de film over het gelijknamige boek. Het is een mooie plek. In de richting van de stroom groeit pijlkruid en, na langdurig onderzoek vastgesteld: plat fonteinkruid. Verderop bloeit de gele plomp. We zien ruwe smele (Deschampsia cespitosa) en pitrus. Boven het water scheren smaragdlibel en weidebeekjuffer. Ze blijken erg moeilijk in de lens van de camera te vangen.

 

Boven ons hoofd kwebbelt een bosrietzanger en in de verte kleppert een ooievaar. Het nest staat bij een mooie authentieke boerderij. Wat wil een mens nog meer!

We vervolgen onze weg langs tengere rus, kamperfoelie, brede stekelvaren en bochtige smele (iets ieler bloeiend dan ruwe smele), grauwe wilg, geoorde wilg, vuilboom en vinden aan onze rechterhand een roggeveld met daartussen Phaecelia.

Phacelia is de botanische naam van een geslacht uit de ruwbladigenfamilie (Boraginaceae). Het geslacht bevat ongeveer 150 soorten kruidachtige planten, die merendeels van nature voorkomen in Noord- en Zuid-Amerika. De soort die we hier vinden wordt ook wel aangeduid met de term bijenvoer of bijenvriend. Om de hoek hetzelfde veld maar dan vol met korenbloemen en papavers, in dit geval de bleke klaproos. We halen herinneringen op van vroeger: het plukken van korenbloemen en papavers. Niet lang houdbaar op de vaas, maar een feestelijke herinnering.

Niels en Toos maken even een zijsprongetje over twee hekken en belanden in een nat gebied. Hier vinden zij draadrus (Juncus filiformis), volgens Soortenbank.nl een Rode Lijst-soort. De soort komt voor op natte, vrij zure grond in schrale graslanden, vooral nabij beken of kleine rivieren en is zeldzaam in het Drents district. Een geweldige vondst, dus. Het zandpad leidt ons vervolgens terug langs rustpunt Rabbinge, waar wij even halt houden voor een kop koffie en soep en richting de hoofdweg en parkeerplaats.

Niels open een hek, komt tevoorschijn met een klein grasje en roept “slofhak”. We kijken hem argwanend aan: de zon brandt op onze hoofden, het is warm zo langs de weg en dat neigt naar geslof, maar slofhak? Het blijkt om een soort reukgras te gaan.

De slofhak (Anthoxanthum aristatum) is een eenjarige, die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae). De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend, maar sterk in aantal afgenomen. De plant komt van nature voor in Eurazië.  De plant komt voor op droge, zure zandgrond, tussen het graan en in bermen. Het exemplaar van Niels blijkt dus een goede standplaats te hebben gekozen.

We vervolgen onze speurtocht in de berm: zandblauwtje (Jasione montana) en vertakte leeuwentand. Sommige autobezitters worden blijkbaar een beetje zenuwachtig van ons gesnuffel zo vlak langs de weg en moeten dit met luid getoeter kenbaar maken.

We lopen nog even binnen bij het bezoekerscentrum voor de expo van Ton Valk, natuurfotograaf en gaan daarna met de auto verderop, richting een heidegebied met een meertje. Hier vinden we moerasvaren en verderop: veenpluis en heel veel slangenwortel (Calla palustris.) De naam zegt het al, de plant kruipt met haar wortelstokken kronkelend de oever op. Ook gaat het verhaal dat de ringslang zich graag tussen de bladeren begeeft. Rankende helmbloem, tandjesgras, liggend walstro, borstelgras (Nardus stricta.)

We spotten een bijzondere vlinder. Met behulp van de vlinderstichting is deze gedetermineerd als zuringspanner. Verderop is de bodem zandig, dichtgeslagen. “Je zou hier toch zonnedauw verwachten”. Het is nog niet gezegd, en ja hoor: twee soorten nog wel: kleine en ronde zonnedauw. Ze staan zeer fotogeniek te pronken.

Het is tijd om terug naar Kampen te gaan. Jammer, want het landschap nodigt ons erg uit om nog verder te gaan. Misschien een volgende keer.

Overige vondsten: windhalm, ringelwikke, tengere rus, gladde en gestreepte witbol, egelboterbloem, vogelpootje, 1 jarige hartbloem, gewoon struisgras, hemelsleutel, kraailook, rode schijnspurrie, knolrus, hertshoornweegbree.

Niels voorziet ons van getrapte informatie.

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink en Heleen Strikkers

Met dank aan Niels Jeurink en Toos Lodder.

Plantenwerkgroep: excursie Mandjeswaard 12-6-2013

De Mandjeswaard: een stille zomeravond over dijkjes tussen weilanden en rietland langs erven op terpen.

Op woensdagavond 12 juni bezochten we onder begeleiding van Niels Jeurink van de plantenwerkgroep de Mandjeswaard. De weerverwachting voorspelde regen, maar we hadden een heerlijke avond, met alleen zo af en toe een druppeltje regen tot we omstreeks 22.15 weer terug naar Kampen gingen.

Ik zocht voor dit verslag even op google naar de Mantjeswaard (ja, ik spelde met een t) en kwam op een bron uit 1778: “De zogenaamde Camper Eilanden, gevormd door de verscheiden armen der uitloopende rivier, zyn ligt bedykt, en sommigen, als de Mantjeswaard ten noordoosten of de Peiper ten zuiden, door 4 à 5 huisgezinnen, doch de middelste als de Zuiderwaard en Camper Eiland meerder bewoond. By zwaaren storm of hooge rivier, breeken deeze ligte dykjes wel eens door, en dan loopen ze onder. “

Nog wat verder speuren op internet levert de volgende informatie:

De IJsseldelta bestond vroeger uit eilanden. De gemeente Kampen kreeg in 1363 van Bisschop Jan van Arkel de Kampereilanden en het recht van aanwas. Op de Mandjeswaard werd in 1432 het eerste erf verpacht aan Klaas Mandemaker: vandaar de naam. Door de aanwas – de polder groeide door telkens een nieuwe schil in te polderen- groeiden de eilanden. Er konden zo telkens weer nieuwe boerderijen: ‘erven’ worden uitgegeven. De laatste aanwas was de Cock’s polder, genoemd naar zuivelfabrikant & wethouder de Cock uit Kampen. Na 1932, met de aanleg van de afsluitdijk, was het gedaan met de aanslibbing. De laatste erven van 1960 staan dan ook niet meer op terpen.

De Mandjeswaard is nu circa 600 hectare en wordt begrensd door het Ganzendiep, de Goot en het Zwarte Meer. De polder maakt deel uit van het, in 2005 tot Nationaal Landschap aangewezen, gebied de IJsseldelta. De polder is over land slechts bereikbaar via een brug over de Goot nabij Lutterzijl.

Na deze cultuurhistorie zult u begrijpen dat wij genoten van een prachtig en heel verstild stukje cultuurland met boerderijen op terpen, weilanden, vogels en heel veel planten.

We reden de Mandjeswaard binnen over die brug bij Lutterzijl en parkeerden auto en fiets bij het voorlaatste dijkje bij een sluisje. Vervolgens liepen we door de Cockspolder naar de laatste dijkje en volgden dat richting Kampen. Rechts van ons rietlanden met in de verte het Zwarte Meer, links weilanden met een enkele boerderij (erf) op terp.

Niels hield de plantentelling bij, zodat onze inventarisatie bij Floron in de landelijke databank opgenomen kan worden. We kwamen op zo’n 115 verschillende soorten, waarvan 20 verschillende grassen. Dat varieerde van gewone grassen zoals straatgras, Engels en Italiaans raaigras en kweek, tot soorten die meer specifiek zijn voor dit type landschap zoals grote vossenstaart en geknikte vossenstaart, beemdlangbloem, mannagras (in het water en bloeiend op het land) en de meest bijzondere: kamgras.

Van de kruisbloemigen (koolzaadachtige) zagen we vlak bij elkaar een mooie verzameling van herik (behaard blad en behaarde stengels, bladen met zijlobben, nu ook in grote getale bloeiend bij station Kampen Zuid), knopherik: de bloemen veel bleker van kleur dan bij de gewone herik en raapzaad (bladeren stengel omvattend).

Andere families die veel op elkaar lijken waarvan we verschillende verwante soorten zagen zijn: perzikkruid, beklierde duizendknoop (beide met een vlek op het blad; bij perzikkruid steken de nerven uit het hulsje dat de stengel omvat bij de bladaanhechting) en veenwortel in de water en land variant.

Haagwinde (het bekende pispotje, een lastig ‘onkruid’ in de tuin; bladeren hartvormig) en zwaluwtong: familie van de duizendknopen. Het is met heggenduizendknoop, Japanse en sachalinse duizendknoop een apart geslacht, dat Fallopia heet.

De helder blauwe bloemetjes met een zweempje geel in het hart van het moeras vergeet-mij-nietje en het zomp vergeet-mij-nietje (dieper ingesneden kelkbladeren) langs de sloten en de veel kleinere bloemetjes van het akker vergeet-mij-nietje op drogere plaatsen.

En dan een veel voorkomende zegge, maar een met veel verschillende verschijningsvormen: ruige zegge: klein bij veel betreding, groter waar hij met rust wordt gelaten, met veel haren op droge plaatsen om verdamping tegen te gaan, met veel minder haar waar het vochtiger is.

De meest bijzondere onder de planten vond ik pijptorkruid, een schermbloemige (als fluitekruid): nog niet in bloei en daardoor nog minder opvallend met zijn ijle bladeren verstopt tussen het gras.

Ook vogels trokken onze aandacht op zo’n stille zomeravond: enorme spectaculaire spreeuwen zwermen kwamen aan vanuit de richting van Kampen, voegden zich samen en streken neer in grote essen rond de boerderijen, om er vervolgens weer vandoor te gaan. Een sperwer deed een vergeefse poging een aanval uit te voeren, maar had geen kans.

Boven het riet een bruine kiekendief. In het riet rietgorzen, kleine karrekiet en de melodieuze bosrietzanger. En hoe omschrijf je het sonore lichte en toch afwisselende doorgaande trrrrrrrrrrrr van de springhaanzanger? Sommigen hoopten de grote karekiet vanuit het Zwarte water te horen, maar dat is niet helemaal zeker… Wel zagen we een purperreiger die kant uit weg klapwieken. De gele kwikstaarten waren moeilijk te ontdekken met hun gele buikjes in de bouwvoren van het akkerland en de bruine ruggen als goede schutkleur, maar als je ze eenmaal had gevonden waren ze onmiskenbaar!

Al met al een heerlijke avond en dat op zo’n gewone door de weekse dag, op een steenworp van Kampen, het leek even vakantie…

Verslag: Toos Lodder

Foto’s: Gonny Sleurink

 

Plantenwerkgroep: excursie Zalkerbos 22 mei 2013

Wat moeten we nog zeggen over het Zalkerbos? Eén van die heel weinige hardhoutooibosjes die we in Nederland nog hebben, iepen-, essen- en eikenbos met een heel rijke ondergroei van allerlei bolgewasjes.

Meestal bezoekt de plantenwerkgroep het Zalkerbos in het vroege voorjaar op zaterdagmorgen als de holwortels bloeien en de blauwe druifjes. Dit jaar was het mogelijk om eens een keer ‘s avonds te gaan omdat het eind mei al langer licht is.

Ondanks dat het koud is, is het een mooie avond. Het lage licht schijnt mooi over het oude cultuurlandschap met knotwilgen. Gelukkig is er flinke belangstelling, ook van buiten de vereniging.  Niels vertelt over de bijzonderheid van het gebied en de aanwezigheid van stroomdalflora.

Stroomdalflora is de verzamelnaam van een groep van circa 250 inheemse plantensoorten die karakteristiek zijn voor het stroomgebied van de grote rivieren in Nederland. De stroomdalsoorten worden met name aangetroffen op de hoger gelegen oeverwallen in de uiterwaarden en op de banddijken van de Rijn, Maas en IJssel.

Wij treffen een bijzondere plantensoort aan die in dit gebied alleen in het Zalkerbos voorkomt, het Schaafstro. Schaafstro (Equisetum hyemale) of schuurriet is een vaste plant die behoort tot de paardenstaartenfamilie (Equisetaceae). De naam schaafstro is afkomstig van de ruwe stengel, die vroeger wel gebruikt werd als schuurmiddel. Verder onder andere: Zomereik, Es, Esdoorn, Schaduwgras, Veldbeemd, Clematis vitalba, Gevlekte dovenetel, Hop, Herik en Meidoorn.

2 Deelnemers voegen een extra dimensie toe aan de excursie: regelmatig klinkt hun vraag: “kun je dit ook eten” waarop Niels antwoordt: “minstens 1 keer”. Bij een aantal soorten lijkt het inderdaad niet erg verstandig om het op je bord te leggen, maar het bij tuinmensen beruchte, nota bene als Stinsenplant ingevoerde Zevenblad, schijn je als spinazie te kunnen eten. Ook vinden we Daslook, dat vroeger wel in de keuken gebruikt werd als voorloper van het Knoflook.

Nog een aantal soorten: Veldesdoorn, Hazelaar, Iep of Olm, het blad lijkt op dat van de Haagbeuk maar heeft een ongelijke bladvoet. Onder de bomen: Geum, Dauwbraam, Grootbloemmuur, Look zonder Look, Euphorbia oftewel Wolfsmelk. Het klinkt alsof je dit beter niet kunt eten.

 

Prikkeldraad is er alleen voor om koeien binnen de wei te houden, dus houden behulpzame handen de draden van elkaar zodat het gezelschap verder kan lopen door het weidegebied langs de IJssel. Wat kunnen we toch trots zijn op dit mooie landschap! Er worden nog wat vogels gespot en beluisterd: Grasmus, Merel, Zwartkop en Gaai.

Terug door het bos en terug naar huis. Het was een mooie avond!

Verslag: Heleen Strikkers

Foto’s: Gonny Sleurink

Plantenwerkgroep: excursie Loosdrechtse Plassen 9 juni 2013

Het Hollandse laagveengebied kennen we door de diverse plassen die er liggen, denk aan de Nieuwkoopse plassen, de Loosdrechtse plassen en de Ankeveense plassen bijvoorbeeld. Maar de natuurliefhebber kent niet alleen die plassen maar zeker ook de rietlanden (met tal van moerasvogels) en het laagveen dat langs die plassen te vinden is. Ooit werd dat laagveen door de mens afgegraven, er waren ‘legakkers’ waar het veen nog min of meer intact was met een vaste, minerale ondergrond, en er waren ‘petgaten’ (pet lijkt op het Engelse peat -laagveen- niet waar?) Die petgaten werden soms wel eens wat te groot, door hebzucht (al te intensieve ontginning van het veen) of doordat te veel mensen een te klein stukje veen moesten delen. Een winterse storm deed dan de rest: de restanten veen sloegen af en er ontstonden grote plassen. Tegenwoordig is er nog maar weinig van het oorspronkelijke veen over. De plassen worden vaak behoorlijk intensief gebruikt door vaarrecreanten en veel veen is door de jaren heen door de landbouw in gebruik genomen, ‘ontgonnen’. Een van die plaatsen waar je dit alles goed kunt zien is het gebied van de Loosdrechtse en de Kortenhoefse plassen, dichtbij Hilversum. Aan de drukte in het verkeer merk je dat je dicht bij grote steden zit, maar soms lijken die ook heel ver weg. We liepen door Kortenhoef, een langgerekt plaatsje, om vandaar over het oude kerkpad, het ‘Oppad’, richting ‘s Graveland te wandelen. Je loopt door vrij extensief beheerde graslanden en vooral door moerasbos. Elzenbroekbos op wat grotere afstand van het pad, met behalve elzen ook veel grauwe wilg, en als bijzonderheid de appelbes, een verwant van de meidoorn en de lijsterbes die kenmerkend is voor het laagveengebied. Dicht bij het pad is het echter hoger, en droger, en dat zie je in de vegetatie ook terug; hier staan meer eiken, berken, lijsterbes, sporkenhout en meer soorten die kenmerkend zijn voor drogere en van nature zuurdere zandgronden.

In ‘s Graveland gekomen staken we het Hilversums Kanaal en de grote weg Hilversum – Vinkeveen over en staken we even verderop rechtsaf, weer zo’n veenpad in. Deze heet de ‘Kromme Rade’ en voert door een fraai laagveengebied. Links eerst het moerasbos en wat schraallandvegetatie met veenpluis en moeraskartelblad. Rechts het moerasgebied dat bekend staat als ‘het Hol’. Prachtig ook, met sloten vol krabbenscheer. We waren hier niet alleen trouwens; talrijke wandelaars waren blijkbaar voor de Nijmeegse Vierdaagse aan het oefenen en kwamen in fors tempo langs, onder het kennelijke motto ‘ik zie niets, ik loop’. Maar misschien viel het wel mee. Wij keken in elk geval onze ogen uit.

Dicht bij het pad stond een fraaie moeraswolfsmelk (Euphorbia palustris) te bloeien, een van de hoogste wolfsmelksoorten die ons land kent. Wat verderop loop je dichter langs de Loosdrechtse plassen en daar zie je hoe intensief dat gebied wordt bevaren. Als je de natuur hier een kans wilt geven zal je toch echt moeten ‘zoneren’, stukken alleen een natuurbestemming geven, zonder waterrecreatie dus. We liepen over de smalle weg ‘Moleneind’ naar Kortenhoef terug en naeen kopje koffie aan het water en zo’n 9 km in de benen keerden we tevreden huiswaarts.

Verslag: Niels Jeurink

Fotocollage: Gonny Sleurink

 

Plantenwerkgroep: excursie Kuiderbos 15-09-2012

In de Noordoostpolder, ten westen van Kuinre en doorsneden door de Schoterweg, ligt het Kuinderbos. Ruim vijftig jaar geleden aangeplant, maar nu een bos van formaat, omgeven door polderland. Er groeien vele plantensoorten, waaronder een groot aantal soorten varens, 2 soorten zonnedauw, moeraswolfsklauw en diverse orchideeën. Er leven reeën, vossen, hazen, konijnen en egels. Zelfs de boommarter wordt waargenomen. Zijn aanwezigheid vertelt dat het bos volwassen is, want hij verblijft graag in dikke, holle bomen.

Helaas  hebben een aantal trouwe metgezellen moeten afzeggen dus gaan we deze ochtend met z’n tweeën op pad. Het is de bedoeling dat we een kilometervak gaan inventariseren. Niels houdt zijn GPS en streeplijst paraat. We starten vanaf de Schoterweg op een zandpad en komen al snel de eerste bijzonderheid tegen, dat wil zeggen, zo bijzonder is watermuur (Myosoton  aquaticum) niet, maar waar je normaal door de knieën moet om de kleine witte bloemetjes beter te kunnen bekijken, heeft deze plant zich zo’n meter omhoog gewerkt langs een dreumes-es, waardoor  heel even de gedachte opkomt een nieuwe soort ontdekt te hebben. Uit naslag blijkt echter dat dit plantje het wel vaker hogerop zoekt, prettig voor de wat ouder wordende florist.

We wandelen speurend verder, komen op een  betonnen pad en krijgen een bijzondere verschijning in beeld: een spannende combinatie van een dame met rollator met aan beide zijden een hazewindhond aan de riem. We stoppen even voor een praatje. Ze vertelt ons vriendelijk over het wel en wee van haar wandeling en over haar honden. Maar we willen verder: naar het meer dat  midden in het bos ligt.

Het blijkt druk te zijn in het bos. Regelmatig passeert ons een  trekker met een huifkar vol mensen. In de verte klinken aan één stuk door schoten (zeker een wedstrijd op de nabijgelegen schietbaan) en dat terwijl aan het begin van het bos een bord aankondigt dat het een stiltegebied is!

Daar waar we linksaf willen omdat de kaart aangeeft dat het meer De Kuilen links voor ons ligt, blijkt de weg rechtsaf te gaan. We twijfelen en dat wordt opgemerkt door een vrijwilliger van Staatsbosbeheer. Hij informeert belangstellend naar onze aanwezigheid. Als hij hoort dat wij namens de Natuurvereniging IJsseldelta inventariseren, neemt hij ons enthousiast mee naar een gebied waar kortgeleden een slingerend aangelegde watergang is gemaakt. Florian blijkt een schat aan informatie te hebben, niet alleen over de flora maar ook over alles wat er in het Kuinderbos rondloopt, kruipt en vliegt.

 

De oever van de beek is een overloopgebied. Op de zandige, met algen beklede grond vinden we een bijzondere combinatie van planten, onder andere: Stijve ogentroost, Ronde zonnedauw, Veldrus, Basterdklaver, Moeraswolfsklauw, Kleine waternavel, Bleekgele droogbloem, Kleine zonnedauw, Struikheide, Dopheide en een kruising tussen een middelste- en grote Teunisboem: Oenothera x fallax.

     

De stijve ogentroost (Euphrasia stricta) is een tot 30 cm hoge plant uit de bremraapfamilie (Orobanchaceae). De voorkeursstandplaats is op vochtige, kalkhoudende zandgrond, zoals dit bij sommige heidevelden en in de duinen kan voorkomen (en dus ook in het Kuinderbos.) De plant is een halfparasiet en onttrekt water en zouten aan grassen.  In Nederland is de plant zeldzaam en staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als algemeen voorkomend, maar zeer sterk in aantal afgenomen.

Op de hogere oevers staat veel, in de stevige wind wuivend Struisgras en Duinriet. Tesamen met de  beplanting in het heldere water van Mattenbies, Grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica), Grote en Kleine lisdodde ziet dit er prachtig uit. Een ontwerper van een natuurtuin met zwemvijver, zou hier zijn/haar vingers bij aflikken. We vinden nog: Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) en Kruipganzerik (Potentilla anglica), Mannetjesereprijs en een jonge Reuzenzilverspar (Abies grandis). Verderop staat  Pijpestrootje (Molinia caerulea) en Zeebies of Heen (Bolboschoenus maritimus).

    

Op een exemplaar van Koninginnekruid  strijkt een Kleine vuurvlinder neer en verderop wijst Florian ons op een Noordse winterjuffer, een zeldzame soort libel, wel bekend in het Kuiderbos, zie ook http://www.libellennet.nl. Verderop zien we een Icarusblauwtje. Helaas laat dit mooie vlindertje zich door mij niet graag fotograferen, maar voor Niels wil ze wel even poseren. Dan maar die spin die zijn intrek heeft genomen in de zaadpluizenbol van de Speerdistel.

   

We nemen afscheid van Florian, bedanken hem voor zijn enthousiaste begeleiding en gaan alsnog op zoek naar het meer. Onderweg spotten we o.a.: Smalle stekelvaren, Wijfjesvaren en Mannagras, Tijmereprijs en Blauwe zegge. In een droog gevallen sloot: Rietgras, Mannetjesvaren, Gele lis en Bochtige smele.  Ook vindt Niels Dauwbraam.

En daar is dan eindelijk de grote plas. Vier borden onder elkaar vertellen ons dat we een heleboel niet mogen. We zien bijna door de borden het bos niet meer. Wat een mens al niet kan verzinnen. Maar mooi is het er wel. In het ondiepe water aan de oever groeit Kleine waterpest en Aarvederkruid. Een treffen met aangekondigd hoefvee nemen we niet als optie dus we lichten onze hielen en struinen het bos weer in. We zien Zevenblad (de natuurlijke vijand van een tuinliefhebber) , Muursla, een Hondsroos, Rubus spectabilis, een prachtframboos,  Solidago canadensis, zelfs een verdwaalde Cotoneaster!

Aan de rand van het bos aan de overkant van de weg ligt een berg grond die uitnodigt tot inspectie. Hier vinden we heel veel nieuwe soorten: Heelblaadjes, Blauw  glidkruid, Herik, Schijfkamille, Melganzevoet, Zwart tandzaad, Rivierkruiskruid, Canadese fijnstraal, Zomerfijnstraal en als klap op de vuurpijl: Impatiens capensis, een oranje springzaad! Hoe is deze hier terecht gekomen?

  

Terug lopend naar de auto zien de in de bosrand Rhus typhina, waarschijnlijk overgewaaid uit een tuin. Ook vinden we weer Stijve ogentroost. Wat is dat bloemetje toch mooi!

Volgens de site van Staatsbosbeheer zouden we in het hele Kuinderbos 350 soorten kunnen vinden, wij gaan tevreden met een aantal van 206 uit alleen dit kilometerhok naar huis.

Tekst: Heleen Strikkers, met aanvullingen van Niels Jeurink

Foto’s: Niels Jeurink en Heleen Strikkers